ECLI:NL:GHAMS:2022:2130

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 juli 2022
Publicatiedatum
19 juli 2022
Zaaknummer
23-001604-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 511c SvArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk voordeel na schikking in hoger beroep

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd en een nieuwe beslissing genomen over de betalingsverplichting van de betrokkene. De betrokkene was eerder veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. De rechtbank had een betalingsverplichting van €75.000 opgelegd, maar het hof stelde deze bij hoger beroep vast op €27.500, mede gelet op een schikking die betrokkene met het openbaar ministerie had getroffen.

De zaak betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij het openbaar ministerie aanvankelijk een bedrag tot €400.000 vorderde, later verlaagd tot €100.000. In hoger beroep is het wederrechtelijk voordeel geschat op €40.000, maar vanwege de schikking is de betalingsverplichting vastgesteld op €27.500. Betrokkene heeft dit bedrag reeds voldaan.

Het hof benadrukt dat deze schikking niet valt onder artikel 511c Sv, omdat het vonnis al was gewezen en het hof in hoger beroep het vonnis vernietigt en de schikking in de uitspraak verwerkt. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 550 dagen. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag op 13 juli 2022.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €27.500 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel na schikking in hoger beroep.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001604-21
datum uitspraak: 13 juli 2022
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdend te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2019 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 10-700331-15 tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboortedatum],
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een maximumbedrag van € 400.000,00. De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg gevorderd dat het wederrechtelijk voordeel wordt geschat op € 100.000,00 en dat de betalingsverplichting hoofdelijk wordt opgelegd aan de betrokkene en de medebetrokkenen
[betrokkene 1] en [betrokkene 2].
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2017 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Voorts heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 30 juli 2019 de betrokkene de hoofdelijke verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 75.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader
[betrokkene 1] betaalt, hij in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 april 2021 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Dit arrest in de strafzaak is op 7 mei 2021 onherroepelijk geworden.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2022
en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv),
naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Schikking

Blijkens een e-mailbericht van de advocaat-generaal aan het hof van 31 mei 2022 en een
e-mailbericht van de raadsman aan het hof op diezelfde dag, hebben beide partijen ieder voor zich meegedeeld dat de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman, met het openbaar ministerie een schikking heeft getroffen die uitkomt op een betalingsverplichting ter hoogte van € 27.500,00.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep dienovereenkomstig gevorderd dat de hoogte van het wederrechtelijk voordeel wordt geschat op een bedrag van € 40.000,00 en dat aan de betrokkene met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 27.500,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Blijkens een door de raadsman per e-mailbericht overgelegd betalingsbewijs heeft de betrokkene dit bedrag daadwerkelijk betaald.
Het hof hecht eraan op te merken dat het in de onderhavige zaak niet gaat om een schikking in de zin van artikel 511c Sv. De in dat artikel geregelde situatie ziet op de totstandkoming van een schriftelijke schikking tussen het openbaar ministerie en de betrokkene zonder bemoeienis van de rechter. In de onderhavige situatie heeft de rechtbank reeds vonnis gewezen en kan in hoger beroep alleen door het hof het vonnis worden vernietigd en hetgeen tussen het openbaar ministerie en de betrokkene is overeengekomen in de uitspraak worden betrokken.
Het hof ziet aanleiding, mede gelet op het vorenstaande, de tot stand gekomen schikking in zijn uitspraak
te vervatten en het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting aan de Staat, aldus vast te stellen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
40.000,00 (veertigduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 27.500,00 (zevenentwintigduizend vijfhonderd euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 550 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. E. van Die en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
13 juli 2022.
De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]
.