ECLI:NL:GHAMS:2022:2174

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
25 juli 2022
Zaaknummer
000079-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 67a lid 3 SvWet forensische zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening en schorsing van onderzoek inzake zorgmachtiging als maatregel in strafproces

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin zijn verzoek tot vergoeding van schade en kosten werd afgewezen. Appellant was in eerste aanleg ontoerekeningsvatbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging, waarbij een zorgmachtiging werd afgegeven als opvolger van voorlopige hechtenis.

De rechtbank zag de zorgmachtiging als een civiele maatregel en wees het verzoek af. Appellants advocaat voerde aan dat de zorgmachtiging pas laat werd opgelegd en dat appellant na vrijlating dakloos werd, ondanks ambulante zorg.

Het hof overweegt dat de vraag of een zorgmachtiging een maatregel is als bedoeld in artikel 530 en Pro 533 Sv nog onduidelijk is, mede vanwege een lopende cassatieprocedure bij de Hoge Raad over een soortgelijke vraag. Daarom wordt het onderzoek heropend en geschorst tot na de uitspraak van de Hoge Raad.

De beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 24 mei 2022.

Uitkomst: Het hof heropent en schorst het onderzoek in afwachting van een uitspraak van de Hoge Raad over de kwalificatie van een zorgmachtiging als maatregel.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
rekestnummer(s): 000079-22 (530 Sv) en 000080-22 (533 Sv)
parketnummer in eerste aanleg: 13/197065-20 (A) en 13/276159-20 (B)
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2021 op het verzoekschrift op de voet van artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[appellant]
geboren te [geboortedatum] ,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. W.P.A.Vos,
Barbara Strozzilaan 201, 1083 HN Amsterdam.

1.Procesverloop

Het hoger beroep is op 15 december 2021 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormelde parketnummers en heeft op 10 mei 2022 de advocaat-generaal en de advocaat van appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord. Appellant is niet in raadkamer verschenen.

2.Inhoud van het verzoek

Het verzoek - zoals gewijzigd in raadkamer in hoger beroep - strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ter zake van:
schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis in de strafzaak met voormelde parketnummers ten bedrage van € 16.120,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in eerste aanleg ten bedrage van € 680,00;
kosten gemaakt in verband met rechtsbijstand ten behoeve van onderhavige verzoekschriftprocedure in hoger beroep ten bedrage van € 340,00.

3.Beoordeling

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft het verzoek ten aanzien van het onder a gedane verzoek afgewezen. De rechtbank heeft daartoe gemotiveerd dat appellant bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2021 ontoerekeningsvatbaar is verklaard en is ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft per 8 april 2021 de voorlopige hechtenis opgeheven en per die datum een zorgmachtiging afgegeven. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor afwijzing van het verzoek nu de rechtbank de civiele zorgmachtiging als opvolger van de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ziet.
De advocaat van appellant heeft -kort gezegd- aangevoerd dat na aanhouding van verzoeker als verdachte de zorgmachtiging al snel ter sprake kwam, maar dat het lang heeft geduurd voordat deze is opgelegd en dat appellant na zijn vrijlating direct in de daklozenopvang terecht is gekomen.
De advocaat-generaal heeft geadviseerd het hoger beroep af te wijzen op gronden genoemd in de beschikking van de rechtbank. Voorts heeft zij aangevoerd dat verzoeker niet onnodig lang in voorarrest heeft gezeten. De tijd was nodig voor onderzoek naar de persoon van appellant en het verkrijgen van een zorgmachtiging. Voorts heeft appellant gedurende de daklozenopvang ambulante zorg gehad.
Het hof overweegt dat in een vordering tot cassatie in het belang der wet aan de Hoge Raad de vraag is voorgelegd of een op grond van de Wet forensische zorg (Wfz) door de strafrechter gegeven zorgmachtiging een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is als bedoeld in art. 67a, derde lid, Sv (ECLI:NL:PHR:2022:302). Thans is niet te voorzien welke uitleg volgens de Hoge Raad aan het begrip maatregel moet worden gegeven in de aan de Hoge Raad voorgelegde vraag. Mogelijk is die uitleg ook van belang voor de beantwoording van de vraag of een zorgmachtiging moet worden gezien als een maatregel als bedoeld in artikel 530 en Pro 533 van het Wetboek van Strafvordering.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat onderzoek niet volledig is geweest en zal het hof het gesloten onderzoek heropenen en schorsen tot een -na de uitspraak van de Hoge Raad- te plannen raadkamer.

4.Beslissing

Het hof:
Heropent het gesloten onderzoek in raadkamer en schorst dit voor onbepaalde tijd.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. E. van Die, M.J.A. Duker en D. Greven, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 24 mei 2022.