ECLI:NL:GHAMS:2022:2336
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen tegen verzoek tot ondertoezichtstelling minderjarige
In deze zaak verzocht de vader in hoger beroep om toewijzing van het resterende deel van een ondertoezichtstelling (OTS) van zijn minderjarige kind, nadat de kinderrechter dit verzoek had afgewezen. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en het kind woont bij haar. De vader stelde dat de moeder hem volledig uit het leven van het kind verbant en dat dit schadelijk is voor de ontwikkeling van het kind.
De Raad voor de Kinderbescherming (de raad) had aanvankelijk het verzoek tot OTS ingediend, maar had dit in hoger beroep niet gehandhaafd. Het hof oordeelde dat de vader het verzoek mocht overnemen en in hoger beroep mocht voortzetten. Tijdens de zitting sprak de voorzitter met het kind, dat aangaf geen OTS te willen en geen contact met de vader wenste.
Het hof sloot zich aan bij de overwegingen van de kinderrechter en concludeerde dat voortzetting van de OTS geen meerwaarde zou hebben voor het tot stand brengen van contact tussen het kind en de vader. Het kind heeft inmiddels contact met een kindercoach, ondersteund door de moeder. Het hof benadrukte dat de moeder een grote rol heeft in het stimuleren van het contact tussen het kind en de vader, wat essentieel is voor een gezonde identiteitsontwikkeling.
Gezien de omstandigheden en het belang van het kind werd het hoger beroep van de vader afgewezen en de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vader tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen en de beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd.