ECLI:NL:GHAMS:2022:2336

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 augustus 2022
Publicatiedatum
14 augustus 2022
Zaaknummer
200.310.301/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen tegen verzoek tot ondertoezichtstelling minderjarige

In deze zaak verzocht de vader in hoger beroep om toewijzing van het resterende deel van een ondertoezichtstelling (OTS) van zijn minderjarige kind, nadat de kinderrechter dit verzoek had afgewezen. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en het kind woont bij haar. De vader stelde dat de moeder hem volledig uit het leven van het kind verbant en dat dit schadelijk is voor de ontwikkeling van het kind.

De Raad voor de Kinderbescherming (de raad) had aanvankelijk het verzoek tot OTS ingediend, maar had dit in hoger beroep niet gehandhaafd. Het hof oordeelde dat de vader het verzoek mocht overnemen en in hoger beroep mocht voortzetten. Tijdens de zitting sprak de voorzitter met het kind, dat aangaf geen OTS te willen en geen contact met de vader wenste.

Het hof sloot zich aan bij de overwegingen van de kinderrechter en concludeerde dat voortzetting van de OTS geen meerwaarde zou hebben voor het tot stand brengen van contact tussen het kind en de vader. Het kind heeft inmiddels contact met een kindercoach, ondersteund door de moeder. Het hof benadrukte dat de moeder een grote rol heeft in het stimuleren van het contact tussen het kind en de vader, wat essentieel is voor een gezonde identiteitsontwikkeling.

Gezien de omstandigheden en het belang van het kind werd het hoger beroep van de vader afgewezen en de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vader tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling wordt afgewezen en de beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.310.301/01
zaaknummer rechtbank: C/15/318481 / JU RK 21-1371
beschikking van de meervoudige kamer van 16 augustus 2022 inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. A. Vogelaar te Wormerveer,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- de minderjarige [naam 1] (hierna te noemen: [kind] );
- [naam 2] (hierna te noemen: de moeder);
- de gecertificeerde instelling Leger Des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna te noemen: de GI).

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna te noemen: de kinderrechter) van 10 februari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De vader is op 6 mei 2022 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 februari 2022.
2.2
De moeder heeft op 10 juni 2022 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de man van 12 mei 2022, met bijlage;
- een bericht van de raad van 31 mei 2022;
- een bericht van de GI van 21 juni 2022, met bijlage.
2.4
De voorzitter heeft op 12 juli 2022 in het bijzijn van de griffier met de minderjarige [kind] gesproken. Ter zitting van 13 juli 2022 heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven. Verzoeker en de ter zitting verschenen belanghebbenden hebben gelegenheid gehad daar op te reageren.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 13 juli 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door mr. A. Vogelaar;
- de moeder, bijgestaan door mr. M. van Espen ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
De GI is met bericht van verhindering niet verschenen.

3.De feiten

3.1
Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en de vader (hierna te noemen: de ouders) is geboren:
- [kind] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .
De vader heeft [kind] erkend. Het ouderlijk gezag over [kind] wordt uitgeoefend door de moeder. [kind] woont bij de moeder.
3.2
Bij (tussen)beschikking van de kinderrechter van 12 augustus 2021 is [kind] voor de duur van zes maanden onder toezicht gesteld tot 12 februari 2022. De beslissing op de overige zes maanden is aangehouden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [kind] afgewezen.
4.2
De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, toewijzing van het resterende deel van het verzoek.
4.3
De raad heeft zich in de brief van 31 mei 2022 gerefereerd aan het oordeel van het hof en berust in de overwegingen van de kinderrechter in de bestreden beschikking.
4.4
De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het verzoek van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

De standpunten
5.1
De vader stelt dat de ondertoezichtstelling van [kind] noodzakelijk is, omdat de vader door de moeder volledig uit het leven van [kind] wordt verbannen. Zo doet de moeder er alles aan om de omgang tussen de man en [kind] te dwarsbomen, verschaft de moeder geen informatie over [kind] aan de vader en keurt zij al het contact tussen hem en [kind] af. Dit alles is zeer belastend voor [kind] en zij wordt hierdoor in haar ontwikkeling bedreigd.
Er dient zicht te komen op de hulpverlening van [kind] en of de hulpverlening wel daadwerkelijk wordt voortgezet. De vader maakt zich zorgen over de zelfbepalende wijze waarop [kind] zich verzet tegen contactherstel.
5.2
De raad heeft ter zitting toch meer zorgen in de ontwikkeling van [kind] gesignaleerd, mede naar aanleiding van de uitingen van [kind] en de ruimte die de moeder haar daarin geeft. Hij heeft bepleit opnieuw te kijken naar de doelen van de ondertoezichtstelling. Door de houding en de opstelling van de volwassenen om [kind] heen ontstaat er een situatie waarin [kind] gedwongen wordt om te kiezen, waardoor een risico bestaat dat zij klem en verloren tussen de ouders raakt. [kind] draagt nu een verantwoordelijkheid die niet bij haar hoort te liggen. De raad heeft daarom ter zitting in hoger beroep alsnog toewijzing van het verzoek met betrekking tot het resterende deel van de ondertoezichtstelling bepleit.
5.3
De moeder stelt dat de vader nooit een rol heeft gespeeld in het leven van [kind] en hij het zelf heeft laten afweten. [kind] wenst geen contact met de vader en zij heeft dit zeer duidelijk aangegeven. Het verzoek van de vader zorgt voor nog meer weestand bij [kind] . Het gaat momenteel goed met [kind] en zij heeft begeleiding van een kindercoach.
5.4
[kind] heeft in het gesprek met de voorzitter gezegd dat zijn geen ondertoezichtstelling wil. Zij wil niet dat haar vader, door haar ‘biologische vader’ genoemd, een rol krijgt in haar leven.
De beoordeling
5.5
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Artikel 1:255 lid 2 BW Pro bepaalt, voor zover hier van belang, dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen op verzoek van de raad en dat een ouder tevens bevoegd is tot het doen van het verzoek indien de raad niet tot indiening daarvan overgaat.
5.6
De raad heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de bestreden beschikking en heeft in zoverre, in elk geval aanvankelijk, zijn verzoek tot toewijzing van het resterende deel van zijn inleidende verzoek niet gehandhaafd. Als uitgangspunt is het aan een verzoekende partij zelf om te bepalen of hij zijn verzoek handhaaft of niet. De vraag is dus of de vader in hoger beroep alsnog toewijzing van dat resterende deel kan verzoeken. Naar het oordeel van het hof kan dat in dit geval inderdaad. Nu de raad zijn inleidende verzoek had laten varen, brengt een redelijke en op de praktijk gerichte uitleg van de in artikel 1:255 lid 2 BW Pro neergelegde ‘rangregeling’ mee dat de vader bevoegd was om dat verzoek over te nemen en tot het zijne te maken. Dat komt voorts niet in strijd op het verbod op het doen van een zelfstandig verzoek in hoger beroep, nu het verzoek van de vader gelijk is aan het inleidende verzoek van de raad.
5.7
Het hof is het eens met de overwegingen van de kinderrechter en de nieuwe informatie maakt niet dat het hof tot een andere conclusie komt. Het voortduren van de maatregel van de ondertoezichtstelling zal naar verwachting geen meerwaarde hebben als het gaat om het tot stand brengen van contact tussen [kind] en haar vader, en zal er dus niet toe leiden dat zij in staat wordt gesteld zich een actueel beeld te vormen van haar vader en zijn intenties om met haar een band op te bouwen. [kind] is eerder een jaar onder toezicht gesteld, maar deze is niet verlengd in 2019 omdat er geen ernstige zorgen meer waren in de thuissituatie. De nieuwe ondertoezichtstelling is met name gericht op het tot stand brengen van contact tussen [kind] en de vader en is voortgekomen uit het onderzoek dat de raad heeft verricht inzake het verzoek van de vader om gezag en een omgangsregeling. Gebleken is dat in het gedwongen kader ten aanzien van het contactherstel onvoldoende resultaat is geboekt. In het eerste half jaar van de ondertoezichtstelling zijn de inzet van een hulpcoach voor [kind] en de opvoedondersteuning nog niet van de grond gekomen. In deze situatie is de weerstand bij de moeder en [kind] tegen de gedwongen hulpverlening nog groter geworden.
[kind] heeft nu echter wel contact met een kindercoach, waarmee zij een aantal gesprekken heeft gevoerd. De moeder ondersteunt dit en zij heeft toegezegd deze hulpverlening in het vrijwillige kader te willen blijven voortzetten.
5.8
Zolang de ouders niet in staat zijn om een gezamenlijke boodschap uit te stralen waarin zij het belang van het ouder-kind contact onderstrepen, zal het voor [kind] onmogelijk zijn om haar beeld van haar vader bij te stellen. [kind] heeft bijna haar hele leven geen contact gehad met haar vader en hij is geen onderdeel van haar leven geweest. Haar moeder heeft daarom een grote rol in het stimuleren en geven van ruimte aan [kind] om haar vader te leren kennen. De moeder zal dit moeten opbrengen in het belang van een gezonde identiteitsontwikkeling van [kind] . Ook dient de moeder [kind] te leren dat zij er als moeder is om voor haar te zorgen, zonodig gesteund door hulpverlening. [kind] zal dan niet de behoefte hebben om haar eigen zaakjes te regelen op een grensoverschrijdende wijze, zoals de grove confrontatie die zij in het openbare gebied van het paleis van justitie is aangegaan met de vader toen zij met haar moeder meekwam naar de mondelinge behandeling.
Hoewel er dus grote zorgen blijven bestaan over [kind] ’s identiteitsontwikkeling, zal voortzetting van de ondertoezichtstelling er niet toe bijdragen om de noodzakelijke inzichten af te dwingen. Daarom zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd en het verzoek van de vader worden afgewezen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. G.W. Brands-Bottema en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van de griffier, en is op 16 augustus 2022 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.