Uitspraak
mr. R.J.A. Verhoevente Alkmaar,
mr. N.H. Fridsmate Heemskerk.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen hadden een affectieve relatie en woonden samen in een huurwoning. Na beëindiging van de relatie verzocht de vrouw het gebruiksrecht van de woning toe te wijzen aan haar, terwijl de man dit recht voor zichzelf opeiste. De kantonrechter wees het gebruiksrecht voorlopig toe aan de vrouw, waarna de man de woning verliet.
In hoger beroep voerde de man aan dat de kantonrechter onterecht het gebruiksrecht aan de vrouw had toegekend, onder meer omdat het verschil in woonduur en inkomenssituatie niet relevant zou zijn en hij meer in de woning had geïnvesteerd. De vrouw betwistte deze stellingen en ondersteunde het eerdere vonnis.
Het hof maakte een nieuwe belangenafweging en oordeelde dat de financiële situatie van de man geen reden was om het gebruiksrecht aan de vrouw toe te wijzen. Echter, het feit dat de vrouw al sinds 2013 huurder was en de man pas recent medehuurder werd op initiatief van de vrouw, woog zwaar. De schade van de man door verlies van vissen werd onvoldoende onderbouwd en speelde geen rol.
Het bewijsaanbod van de man werd afgewezen omdat de procedure zich niet leende voor bewijslevering. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vrouw het voorlopig gebruiksrecht van de woning behoudt en wijst de vorderingen van de man af.