ECLI:NL:GHAMS:2022:3049

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 oktober 2022
Publicatiedatum
28 oktober 2022
Zaaknummer
23-003001-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWMArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis voor het voorhanden hebben van vuurwapen en munitie

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam bevestigd waarbij verdachte werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het hof verving de bewijsoverweging omtrent het voorhanden hebben van het wapen en de munitie door een nadere analyse.

De verdachte ontkende kennis te hebben gehad van het wapen in de helmbak van zijn scooter, maar het hof oordeelde dat uit zijn gedrag en verklaringen blijkt dat hij zich bewust was van het vuurwapen en de munitie. Het feit dat hij het tasje met het wapen twee dagen bij zich had en probeerde weg te rennen met het tasje, duidt op voorwaardelijke bewustheid en feitelijke macht over het wapen.

Het hof concludeerde dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De straf is ongewijzigd gebleven. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 27 oktober 2022.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling van verdachte voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003001-21
datum uitspraak: 27 oktober 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 oktober 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-279372-19 tegen
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 2001,
adres: [adres01] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de bewijsoverweging van de rechtbank zoals weergegeven in paragraaf 3.3. van het vonnis vervangt door de navolgende bewijsoverweging.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De verdachte ontkent wetenschap te hebben gehad van het wapen dat is aangetroffen in de helmbak van zijn scooter en heeft daarover bij de politie, de rechter-commissaris en de rechter in eerste aanleg eensluidend verklaard. Dat de verdachte rennend over straat ging met zijn scooter is een contra-indicatie voor het aannemen van wetenschap bij de verdachte van het wapen, omdat dat nogal opvalt. Het gedrag dat de verdachte nadat hij werd aangesproken door de verbalisanten en dat de verbalisanten als ‘opvallend’ omschrijven, is te verklaren door de angst van de verdachte op dat moment.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie (WWM) neemt het hof het volgende als uitgangspunt. Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat vast moet komen te staan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992). Daarnaast moet vaststaan dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 21 november 2019 zien verbalisanten de verdachte over straat rennen met een scooter in zijn hand. De verbalisanten vinden dit gedrag verdacht en controleren vervolgens het kenteken- en rijbewijs van de verdachte. Daarna vragen de verbalisanten de verdachte de helmbak van de scooter te openen. In deze helmbak zien de verbalisanten diverse goederen, waaronder een roodkleurig tasje. De verdachte loopt weg met de helmbak en plaatst deze op ongeveer drie meter afstand bij de verbalisanten vandaan op de grond. Wanneer de verbalisanten de goederen in de helmbak willen controleren pakt de verdachte het roodkleurige tasje uit de helmbak. Als één van de verbalisanten het roodkleurige tasje ook vastpakt trekt de verdachte aan het tasje en probeert hij weg te rennen met het tasje. In het roodkleurige tasje blijkt later een vuurwapen te zitten. Op de achterbank van het dienstvoertuig van de verbalisanten waarin de verdachte wordt vervoerd naar het politiebureau verklaart de verdachte ‘ik had wel het vermoeden wat er in het tasje zou zitten, ik heb dit tasje twee dagen geleden gekregen van iemand’.
Gelet op voornoemde gedragingen van de verdachte voorafgaand en ten tijde van zijn aanhouding en de door hem gedane uitlating direct na zijn aanhouding staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte zich – tenminste in voorwaardelijke vorm – bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen en de munitie in het roodkleurige tasje. Daarbij betrekt het hof dat de verdachte het roodkleurige tasje al twee dagen onder zich heeft gehad en dat het onder die omstandigheid op de weg van de verdachte had gelegen zich van de inhoud van het tasje te vergewissen. Ook staat daarmee vast dat de verdachte over het wapen en de munitie kon beschikken, nu deze in de helmbak van zijn scooter zijn aangetroffen. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. M.E. de Waard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 oktober 2022.
mr. M.K. Durdu-Agema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]