Art. 99 lid 19 Wet op het notarisambtArt. 107 lid 1 Wet op het notarisambt
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk bij klacht tegen notaris wegens ontbreken fundamenteel rechtsbeginsel
Klager is in hoger beroep gekomen tegen een beslissing van de kamer voor het notariaat die zijn verzet tegen een voorzittersbeslissing ongegrond verklaarde. De kernvraag was of hoger beroep tegen deze beslissing openstond, aangezien artikel 99 lid 19 vanPro de Wet op het notarisambt dit in principe uitsluit.
Klager voerde aan dat fundamentele rechtsbeginselen, zoals het recht op hoor en wederhoor en het fair trial-beginsel, waren geschonden, waardoor het rechtsmiddelenverbod doorbroken zou moeten worden. Hij stelde dat de voorzitter van de kamer eigenmachtig de behandeling van de klacht had aangehouden zonder hoor en wederhoor, wat leidde tot een verrassingsbeslissing.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van schending van fundamentele rechtsbeginselen. De voorzitter had partijen vooraf de gelegenheid gegeven te reageren, klager had zijn standpunten kunnen inbrengen en er was geen détournement de pouvoir. Ook een eventueel motiveringsgebrek rechtvaardigt geen doorbreking van het appelverbod.
Daarom verklaarde het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 6 december 2021. De zaak werd schriftelijk afgedaan met instemming van partijen.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van schending van fundamentele rechtsbeginselen.
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 1 november 2022
inzake
mr. [appellant],
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
tegen
mr. [geïntimeerde],
notaris te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. A.M.T. Weersink, advocaat te Nijmegen.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1.De zaak in het kort
Klager komt in hoger beroep van een beslissing van de kamer waarbij het door klager ingediende verzet tegen een voorzittersbeslissing ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 99 lid 19 WetPro op het notarisambt staat hiertegen geen hoger beroep open. De vraag die het hof als eerste moet beantwoorden is of klager toch ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
2.Het geding in hoger beroep
2.1.
Klager heeft op 30 december 2021 een beroepschrift met producties bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ArnhemLeeuwarden (hierna: de kamer) van 6 december 2021 (ECLI:NL:TNORARL:2021:74). In deze beslissing heeft de kamer het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 1 juli 2021 (ECLI:NL:TNORARL:2021:75) ongegrond verklaard. Klager heeft op 1 februari 2022 een aanvullend beroepschrift met producties aan het hof gestuurd.
2.2.
De notaris heeft op 17 februari 2022 een verweerschrift met producties bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
Het hof heeft partijen vooraf laten weten eerst alleen de vraag naar de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep te zullen behandelen. Klager heeft het hof laten weten niet ter zitting (over de ontvankelijkheid) te kunnen verschijnen en heeft het hof verzocht de zaak schriftelijk af te doen. Het hof heeft vervolgens de notaris verzocht of zij ermee kon instemmen de zaak schriftelijk af te doen, dus zonder mondelinge behandeling. De notaris heeft hiermee ingestemd. Met deze instemming van beide partijen doet het hof de zaak daarom af zonder mondelinge behandeling. Ten behoeve van deze schriftelijke afdoening hebben zowel klager als de gemachtigde van de notaris nog een pleitnota bij het hof ingediend.
3.De ontvankelijkheid van klager in hoger beroep
3.1.
Klager heeft als gemachtigde van de inmiddels overleden klaagster [naam] (hierna: klaagster) op 12 juli 2019 bij de kamer een (hernieuwde) klacht tegen de notaris dan wel een verzoek tot herziening van de uitspraak van de kamer van 27 januari 2015 (ECLI:NL:TNORARL:2015:10) ingediend. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 1 juli 2021 (klager als gemachtigde van) klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht en het herzieningsverzoek verklaard en de klacht en het herzieningsverzoek kennelijk ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft klager tijdig verzet ingesteld bij de kamer. De kamer heeft bij de in 2.1 genoemde beslissing van 6 december 2021 het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
In het algemeen staat – op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 1 WetPro op het notarisambt (hierna: Wna) – tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open. Artikel 99 WnaPro bepaalt echter in lid 19 dat tegen de beslissing van de kamer, waarbij het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Uit genoemde bepalingen van de Wna volgt dus dat er geen rechtsmiddel, zoals hoger beroep, tegen de bestreden beslissing van de kamer openstaat. Dit is anders indien bij de totstandkoming van de beslissing van de kamer een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Volgens klager is hiervan sprake, zodat het rechtsmiddelenverbod dient te worden doorbroken. Klager stelt dat diverse waarborgen niet in acht zijn genomen en rechtsbeginselen zijn geschonden, waaronder: “EVRM, fair trial, hoor en wederhoor, reasonable time, equity of arms, ongelijke behandeling, vertrouwen beschadigd, verrassingsbeslissing”. In zijn pleitnota heeft klager de drie belangrijkste inbreuken besproken, te weten:
de voorzitter van de kamer heeft eigenmachtig – dus zonder dat een van de partijen dat heeft verzocht en zonder hoor en wederhoor toe te passen – op 25 september 2019 besloten de behandeling van de klacht en het herzieningsverzoek aan te houden totdat het hof ArnhemLeeuwarden nader zou hebben besloten over het al dan niet benoemen van een deskundige in de civiele zaak van klaagster. Deze werkwijze is volgens klager in strijd met het reglement omtrent de werkwijze van de kamer. Klager en klaagster hadden juist belang bij een spoedige beslissing van de kamer;
na het civiele vonnis van het hof Arnhem-Leeuwarden van 8 december 2020 is in samenspraak met partijen besloten af te zien van een mondelinge behandeling door de kamer en in plaats daarvan over en weer een schriftelijke pleitnota in te dienen. Er volgde echter geen uitspraak van de kamer, maar een beslissing van de voorzitter van de kamer. Klager werd overvallen door deze verrassingsbeslissing; er was ook geen voornemen geuit om geen mondelinge behandeling door de kamer te houden;
bij de beslissing van de voorzitter van de kamer van 1 juli 2021 is sprake van détournement de pouvoir. Artikel 99 lid 5 WnaPro is bedoeld voor overduidelijke niet aanvaardbare klachten, maar niet voor de onderhavige klacht. De voorzitter van de kamer heeft het begrip “kennelijk” onjuist en unfair gehanteerd.
3.4.
Wat klager aanvoert rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen doorbreking van het appelverbod. Niet kan worden geconcludeerd dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Zo is er geen sprake van schending van het beginsel van hoor en wederhoor, omdat de voorzitter van de kamer – voorafgaand aan zijn beslissing van 25 september 2019 – de notaris en klager in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op zijn voorgenomen besluit om de behandeling van de klacht aan te houden. Ook zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat klager vervolgens door de kamer onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen. Klager heeft bij de kamer al zijn bezwaren naar voren kunnen brengen en klager is daarover mondeling ter zitting gehoord. Voorts vormt een motiveringsgebrek – zo daar al sprake van is – volgens vaste jurisprudentie geen grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Van détournement de pouvoir is het hof ook niet gebleken, nu de mogelijkheid van een voorzittersbeslissing bij wet is voorzien en met waarborgen, zoals het doen van verzet bij de kamer, is omgeven. Het hof zijn ten slotte ook verder geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden.
3.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat klager niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.
4.Beslissing
Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 6 december 2021.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.R. Sturhoofd, C.H.M. van Altena en S.V. Viveen en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2022 door de rolraadsheer.