In deze zaak stond een minderjarige verdachte terecht voor het vervoeren van ongeveer 41,9 kilogram qat, een voor de volksgezondheid schadelijke stof, bestemd voor verdere verspreiding en handel. De rechtbank Noord-Holland had de verdachte veroordeeld tot twee weken onvoorwaardelijke jeugddetentie. Het hof Amsterdam behandelde het hoger beroep en bevestigde het bewezenverklaarde, maar vernietigde de strafoplegging.
Het hof nam in overweging dat qat in het woonland van de verdachte legaal verkrijgbaar is, dat de verdachte minderjarig is en geen eerdere strafbare feiten heeft gepleegd. Het hof kwalificeerde het feit als een daad van jeugdige onbezonnenheid en besloot daarom geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. In plaats daarvan legde het hof een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van twee weken op, bedoeld als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.
De straf is gebaseerd op artikelen van de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis van de kinderrechter wordt verder bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging. De voorwaardelijke jeugddetentie zal niet worden uitgevoerd tenzij de verdachte binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit pleegt.