Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
.
Gerechtshof Amsterdam
De betrokkene is sinds 1 maart 2021 onder bewind gesteld vanwege verkwisting en problematische schulden. Hij verzocht om opheffing van het bewind, wat door de kantonrechter werd afgewezen. In hoger beroep betoogde hij dat het bewind niet langer zinvol is omdat lopende procedures over onder meer toeslagen en een bedrijfsongeval eerst moeten worden afgerond.
Stichting CAV, de bewindvoerder, bevestigde dat aflossing van schulden niet mogelijk is zolang deze procedures lopen en erkende dat het bewind onwerkbaar is geworden door gebrek aan medewerking van de betrokkene, die nieuwe schulden maakt en geen duidelijkheid geeft over zijn inkomen.
Het hof constateerde dat de noodzaak van het bewind blijft bestaan vanwege de aanzienlijke en toenemende schuldenlast, maar dat voortzetting niet zinvol is omdat Stichting CAV het bewind niet naar behoren kan uitvoeren. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en besloot het bewind met ingang van 1 december 2022 op te heffen, met de verplichting voor de bewindvoerder om binnen twee maanden een eindrekening te overleggen.
Uitkomst: Het hof heft het bewind op omdat voortzetting niet langer zinvol is door onwerkbaarheid en lopende procedures.