Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter wegens het rijden tijdens een geldige rijontzegging. De verdachte werd ervan beschuldigd op 3 december 2020 een bedrijfsauto te hebben bestuurd terwijl hem de rijbevoegdheid was ontzegd. De kern van het geschil betrof de rechtsgeldigheid van de betekening van de kennisgeving van de rijontzegging op 31 oktober 2020.
De verdediging voerde aan dat de brief niet rechtsgeldig aan de verdachte was betekend omdat de akte van uitreiking niet was ondertekend en dat de verdachte niet wist van de ontzegging. Het hof oordeelde dat de betekening rechtsgeldig was, mede gelet op de aanvulling op de akte vanwege COVID-19 en het ontbreken van aannemelijke redenen om aan te nemen dat de verdachte niet op de hoogte was.
De verdachte werd wettig en overtuigend bewezen verklaard het motorrijtuig te hebben bestuurd terwijl hem de rijbevoegdheid was ontzegd. Gezien eerdere veroordelingen en de ernst van het feit legde het hof een gevangenisstraf van vijf weken op, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.