Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2019 bevestigd in de strafzaken tegen de verdachte wegens belaging. Het hof verwierp het verweer dat de dagvaarding in zaak A nietig zou zijn vanwege onvoldoende concreetheid en stelde vast dat de tenlastelegging voldoende feitelijk was omschreven.
De verdachte werd veroordeeld voor het gedurende acht maanden belagen van zijn ex-partner, het overtreden van een contactverbod, het versturen van vele e-mailberichten tegen haar wil, het afleveren van een map met informatie over haar nieuwe partner bij haar ouders, en het mishandelen van die nieuwe partner waarbij ook diens camera werd vernield. Het slachtoffer ervoer dit als beangstigend en bedreigend.
Het hof legde een taakstraf van honderd uren op, met een subsidiaire hechtenis van vijftig dagen, maar bepaalde dat de straf voorwaardelijk niet ten uitvoer wordt gelegd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De vrijheidsbeperkende maatregelen werden niet herhaald omdat de verdachte al langere tijd in het buitenland verblijft en geen recente contactpogingen zijn gebleken.
De opgelegde schadevergoedingsmaatregelen werden aangepast door de vervangende hechtenis te vervangen door gijzeling van maximaal twaalf respectievelijk zeventien dagen. Het hof gebruikte een ingekorte verklaring van de verdachte voor bewijs en hield rekening met een reclasseringsrapport en het ontbreken van eerdere veroordelingen.