ECLI:NL:GHAMS:2022:3257

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 november 2022
Publicatiedatum
17 november 2022
Zaaknummer
23-001546-19
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling belaging met aanpassing strafoplegging en gijzeling

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2019 bevestigd in de strafzaken tegen de verdachte wegens belaging. Het hof verwierp het verweer dat de dagvaarding in zaak A nietig zou zijn vanwege onvoldoende concreetheid en stelde vast dat de tenlastelegging voldoende feitelijk was omschreven.

De verdachte werd veroordeeld voor het gedurende acht maanden belagen van zijn ex-partner, het overtreden van een contactverbod, het versturen van vele e-mailberichten tegen haar wil, het afleveren van een map met informatie over haar nieuwe partner bij haar ouders, en het mishandelen van die nieuwe partner waarbij ook diens camera werd vernield. Het slachtoffer ervoer dit als beangstigend en bedreigend.

Het hof legde een taakstraf van honderd uren op, met een subsidiaire hechtenis van vijftig dagen, maar bepaalde dat de straf voorwaardelijk niet ten uitvoer wordt gelegd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De vrijheidsbeperkende maatregelen werden niet herhaald omdat de verdachte al langere tijd in het buitenland verblijft en geen recente contactpogingen zijn gebleken.

De opgelegde schadevergoedingsmaatregelen werden aangepast door de vervangende hechtenis te vervangen door gijzeling van maximaal twaalf respectievelijk zeventien dagen. Het hof gebruikte een ingekorte verklaring van de verdachte voor bewijs en hield rekening met een reclasseringsrapport en het ontbreken van eerdere veroordelingen.

Uitkomst: Taakstraf van honderd uren met voorwaardelijke niet-uitvoering en vervangende gijzeling voor schadevergoedingsmaatregelen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001546-19
datum uitspraak: 17 november 2022
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van
de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers
15-026149-18 (hierna: A) en 15-102788-17 (hierna: B) en 15-185769-18 (hierna: C) tegen
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1955,
adres: [adres01] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan, de opgelegde maartregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht en voor zover bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen een aantal dagen vervangende hechtenis in plaats van gijzeling is bepaald – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof antwoordt op het in hoger beroep gevoerde verweer met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding in zaak A en dat antwoord in de plaats stelt van de desbetreffende overweging van de rechtbank op bladzijde 2 van het vonnis en dat het hof een ingekorte versie van de verklaring van de verdachte van 6 december 2018 voor het bewijs gebruikt.

De geldigheid van de dagvaarding in zaak A

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding in zaak A partieel nietig moet worden verklaard, omdat de feitelijke omschrijving van de beschuldiging wat betreft het ‘meerdere malen berichten via e-mail sturen’ onvoldoende concreet is.
Het hof verwerpt dit verweer. De tenlastelegging betreft op het door de raadsman genoemde punt een afgebakende periode en heeft betrekking op berichten via een gespecificeerd communicatiekanaal (e-mail), geadresseerd aan één concreet aangeduide persoon. In samenhang met de inhoud van het dossier is het tenlastegelegde ook op dit punt voldoende feitelijk omschreven. Uit de verklaringen van de verdachte en de door de verdediging gevoerde verweren blijkt ook dat het de verdachte duidelijk was waar hij zich tegen moest verweren. Ook overigens voldoet de dagvaarding aan de daarin in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafrecht gestelde eisen.

Bewijsmiddelen

In plaats van de door de verdachte
op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 december 2018afgelegde verklaring, zoals vermeld op bladzijde 18 van het vonnis als het eerst opgenomen bewijsmiddel voor het in zaak B bewezenverklaarde, gebruikt het hof het hierna volgende deel van die verklaring van de verdachte voor het bewijs:
Ik kan u zeggen dat ik op 21 mei 2017 tegen de camera van de heer [slachtoffer01] heb geschopt. Ik heb [slachtoffer01] meermaals verzocht te stoppen met mij te filmen. Hij gaf hier echter geen gehoor aan en op enig moment kwam [slachtoffer02] tussen ons in staan. Ik heb haar toen opzij geduwd en vervolgens tegen de camera van [slachtoffer01] geslagen. De camera bleef echter om zijn nek hangen. Toen ik een tweede klap tegen de camera gaf, viel deze wel op de grond. Ik heb [slachtoffer01] twee keer getrapt. Vervolgens heb ik een schop tegen de camera gegeven.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A, zaak B onder 1 en 2 en in zaak C bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis. Ook heeft de rechtbank als vrijheidsbeperkende maatregelen een contactverbod en een locatieverbod opgelegd en bevolen dat deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A, zaak B onder 1 en 2 en in zaak C tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd aan de verdachte opnieuw de genoemde vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen, met dien verstande dat het locatieverbod preciezer zal worden omschreven.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van acht maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Het slachtoffer heeft de verdachte per brief van haar advocaat te kennen gegeven met rust gelaten te willen worden. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden tegen haar wil vele e-mailberichten te sturen en een map met informatie over haar nieuwe partner bij haar ouders af te geven. Daarnaast heeft verdachte een hem door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzing, inhoudende een contactverbod met zijn ex-partner, overtreden. Door het slachtoffer is dit, zo volgt uit de door haar op de terechtzitting in eerste aanleg afgelegde slachtofferverklaring, als beangstigend, bedreigend en hinderlijk ervaren. Daarnaast heeft verdachte de nieuwe partner van zijn ex mishandeld en zijn camera vernield. Hierdoor heeft verdachte inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit en hem schade berokkend. Bovendien dragen dergelijke feiten ook in zijn algemeenheid bij aan in de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 oktober 2022 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof heeft ook rekening gehouden met het met betrekking tot de persoon van de verdachte door Reclassering Nederland opgemaakte rapport van 26 maart 2018.
Het hof acht, alles afwegende, oplegging van een taakstraf van honderd uren passend en geboden.
Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, EVRM met een periode van ruim anderhalf jaar is overschreden. Het hof ziet hierin aanleiding te bepalen dat voormelde straf voorwaardelijk niet ten uitvoer wordt gelegd.
Het hof ziet geen reden meer tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel. De verdachte verblijft inmiddels reeds langere tijd in [land01] en van recente pogingen om contact op te nemen met het slachtoffer is niet gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 184a, 285b, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en wat betreft de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen ex art. 38v Wetboek van Strafrecht en voor zover de bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen een aantal dagen vervangende hechtenis in plaats van gijzeling is bepaald en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer02]
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 12 (twaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer01]
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 17 (zeventien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. W.S. Ludwig en mr. R. van der Heijden, in tegenwoordigheid van
mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2022.
Mr. Kuiper is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]