Uitspraak
mr. J.C. Wouters, kantoorhoudende te Hilversum,
mr. E. Lutjens, kantoorhoudende te Amsterdam.
Het verloop van het geding
2 Inleiding en feiten
Schattingswijziging UFR-wijziging
3 Relevante wet- en regelgeving
Op de interne markt moeten instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's) de mogelijkheid hebben om in andere lidstaten op te treden en daarbij deelnemers aan en pensioengerechtigden van bedrijfspensioenregelingen een hoog niveau van bescherming en veiligheid te bieden.
het minimumbedrag van de technische voorzieningen wordt berekend aan de hand van een voldoende prudente actuariële waardering, rekening houdend met alle verplichtingen inzake uitkeringen en inzake bijdragen, overeenkomstig de door de IBPV uitgevoerde pensioenregeling. Het moet voldoende zijn om te waarborgen dat de uitbetaling van reeds verschuldigde pensioenen en uitkeringen aan de pensioengerechtigden kan worden voortgezet, en om de verplichtingen te weerspiegelen die voortvloeien uit de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers. (…)
de toegepaste maximale rentepercentages moeten op prudente wijze worden bepaald, volgens alle toepasselijke voorschriften van de lidstaat van herkomst. Bij de bepaling van die prudente rentepercentages wordt rekening gehouden met:
het rendement van de overeenkomstige activa die door de IBPV worden beheerd en met de verwachte beleggingsopbrengsten;
de marktrendementen van kwalitatief hoogwaardige obligaties, staatsobligaties, obligaties van het Europees Stabiliteitsmechanisme, obligaties van de Europese Investeringsbank (EIB) of obligaties van de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit, of
een combinatie van i) en ii); (…).
4.De gronden van de beslissing
“elke lidstaat waarvoor zij bestemd is”, aangezien de Europese Unie alleen bevoegd is om algemeen en abstract met onmiddellijke werking verplichtingen op te leggen aan particulieren wanneer haar de bevoegdheid is toegekend om verordeningen vast te stellen. Het is de Ondernemingskamer derhalve niet toegestaan op grond van een bepaling van een richtlijn, zelfs al is deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, een hiermee strijdige bepaling van haar nationale recht buiten toepassing te laten indien aldus een extra verplichting wordt opgelegd aan een particulier (vlg. o.a. HvJEU 18 januari 2022, C‑261/20, ECLI:EU:C:2022:33). Reeds dit gegeven staat aan toewijzing van het verzoek in de weg.
wordt rekening gehouden met’ is hetgeen onder i), ii) en iii) is vermeld dan ook op zichzelf niet beslissend. De factoren waarmee rekening wordt gehouden zijn aldus niet zo nauwkeurig en onvoorwaardelijk dat op basis daarvan een maximaal rentepercentage kan worden bepaald. Daarbij miskent SOBI met haar betoog dat het in artikel 13 lid 4 bedoelde Pro rentepercentage een
maximumpercentage is. De in artikel 13 lid Pro 4, aanhef en onder b sub i) en ii) genoemde factoren zijn dan ook niet bedoeld om voor te schrijven op welke wijze de bepaling van het rentepercentage voor de berekening van de technische voorzieningen voor pensioenverplichtingen steeds dient plaats te vinden, maar veeleer om te voorkomen dat daarbij zou kunnen worden uitgegaan van onrealistisch hoge toekomstige rendementen met als gevolg een te lage technische voorziening.