ECLI:NL:GHAMS:2022:3363
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beëindiging gezamenlijk gezag en eenhoofdig gezag bij moeder in belang minderjarigen
In deze zaak stond de vraag centraal of het gezamenlijk ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen gehandhaafd kon blijven of dat het eenhoofdig gezag bij de moeder moest worden belast. Het hof nam het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming in overweging, waarin werd vastgesteld dat de kinderen in het verleden blootstonden aan huiselijk geweld en wisselende verblijfplaatsen hadden, maar inmiddels stabiliteit en rust ervaren bij de moeder.
De man kon niet bijdragen aan deze stabiliteit vanwege zijn onbereikbaarheid, gebrek aan woonruimte en werk, en het ontbreken van communicatie met de moeder. Dit leidde tot stagnatie in omgang en essentiële beslissingen over de kinderen konden niet tijdig worden genomen. Het hof concludeerde dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de kinderen was.
Het hof bekrachtigde daarom de beschikking die het eenhoofdig gezag aan de moeder toekent, waarbij de man wel een rol in het leven van de kinderen kan blijven spelen. De moeder wordt geacht het contact tussen de man en de kinderen niet te belemmeren en hem regelmatig te informeren over de situatie van de kinderen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het eenhoofdig gezag van de moeder over de minderjarige kinderen in het belang van hun stabiliteit en welzijn.