In deze zaak vordert het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) ontruiming van een asielzoeker die een passende woonruimte aangeboden kreeg maar deze niet zou hebben geaccepteerd. De asielzoeker ontkent de weigering en stelt dat onzorgvuldige communicatie en taalbarrières hebben geleid tot misverstanden over de gevolgen van het niet ondertekenen van de huurovereenkomst.
De voorzieningenrechter wees de vordering van het COA af vanwege onvoldoende bewijs dat de asielzoeker bewust de woning heeft geweigerd en oordeelde dat het COA onzorgvuldig heeft gehandeld. Het COA ging in hoger beroep en betoogde dat de woning passend was aangeboden en de weigering onterecht was, waardoor de voorzieningen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) konden worden beëindigd.
Het hof overweegt dat de gevolgen van weigering groot zijn en dat het COA een hoge zorgvuldigheidsplicht heeft bij het vaststellen van weigering. Gezien de onduidelijkheden over taalgebruik, het ontbreken van een beëdigd tolk en de geconstateerde gebreken aan de woning, is onvoldoende komen vast te staan dat de asielzoeker bewust heeft geweigerd. Het hof bekrachtigt daarom het bestreden vonnis en veroordeelt het COA in de kosten van het hoger beroep.