ECLI:NL:GHAMS:2022:3516
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezag en omgangsregeling voor minderjarige in pleeggezin
De zaak betreft een minderjarige die sinds december 2020 in een pleeggezin verblijft en onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De vader heeft het gezag niet en heeft het verzoek gedaan om gezamenlijk gezag met de moeder, die het gezag momenteel alleen uitoefent. De rechtbank wees dit verzoek af en stelde dat de GI de omgang zou regelen. De vader is het hiermee niet eens en ging in hoger beroep.
Het hof heeft de feiten onderzocht, waaronder het contact tussen vader en minderjarige sinds 2021, waarbij de vader herhaaldelijk omgangsafspraken niet nakwam. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag vanwege het risico dat de minderjarige klem kan raken tussen ouders die niet communiceren en de onvoldoende betrokkenheid van de vader.
Het hof bevestigt dat de vader niet duurzaam betrokken is en niet goed bereikbaar is, waardoor hij het gezag niet kan dragen. Wel wordt een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader minimaal eens per vier weken gedurende twee uur omgang heeft met de minderjarige, onder regie van de GI. De omgangsmomenten die doorgingen, verliepen goed, en het hof benadrukt het belang van frequent contact voor de identiteitsontwikkeling van de minderjarige.
Uitkomst: Het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag wordt afgewezen en een omgangsregeling van minimaal eens per vier weken twee uur onder regie van de GI wordt vastgesteld.