ECLI:NL:GHAMS:2022:3590
Gerechtshof Amsterdam
- Wraking
- S.M.M. Bordenga
- A.M. van Amsterdam
- I.A. Haanappel-van der Burg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren in hoger beroep strafzaak
In deze zaak is een wrakingsverzoek ingediend tegen drie raadsheren van het gerechtshof Amsterdam tijdens de behandeling van een hoger beroep strafzaak. Verzoeker betoogde dat het hof niet op een aanhoudingsverzoek had beslist en dat dit, samen met het geven van een bevel tot medebrenging en het toekennen van te veel waarde aan een getuigenverklaring, de schijn van partijdigheid wekte.
De wrakingskamer oordeelde dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig wordt vermoed, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die het tegendeel aantonen. Uit het verkorte proces-verbaal bleek dat het hof nog niet op het aanhoudingsverzoek had beslist en dat dit een procesbeslissing was die niet inhoudelijk door de wrakingskamer getoetst wordt.
De wrakingskamer vond geen zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid en concludeerde dat de vrees van verzoeker niet objectief gerechtvaardigd was. Het verzoek tot wraking werd daarom in alle onderdelen afgewezen. De beslissing werd op 28 november 2022 uitgesproken door de genoemde raadsheren in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren is afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.