ECLI:NL:GHAMS:2022:3719

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 december 2022
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
15-130584-22
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a lid 3 SvArt. 67b SvArt. 72 lid 3 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing voorlopige hechtenis wegens toepassing artikel 67a lid 3 Sv

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, die het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis had afgewezen. De zaak betreft het parketnummer 15-130584-22.

Na bestudering van de stukken en het horen van de advocaat-generaal en de raadsman van verdachte, concludeerde het hof dat de voorlopige hechtenis gegrond was op de genoemde zaak en dat de rechtbank ten onrechte ook andere feiten bij de beoordeling betrok. Omdat verdachte alleen in voorlopige hechtenis zat voor deze zaak en er geen aanvullende vorderingen waren voor de andere zaak (parketnummer 15-102535-21), was voldaan aan de voorwaarden van artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering.

Het hof besloot daarom het hoger beroep toe te wijzen, de beschikking van de rechtbank te vernietigen en de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. De zaak wordt verder behandeld op de zitting van 22 december 2022, waarbij beide zaken zijn gevoegd. De beschikking is gegeven door de raadkamer van het hof op 14 december 2022.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven door het gerechtshof Amsterdam.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM,
MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER
BESCHIKKINGin raadkamer op het hoger beroep in de zaak van
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan,
tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 21 november 2022, houdende afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 24 november 2022, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormelde beslissing van die rechtbank.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte, mr. P. Jeeninga.

De beoordeling

Het hof verenigt zich
nietmet de beslissing waarvan beroep en de gronden waarop deze berust.
Het hof is (met de raadsman en de advocaat-generaal) van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich thans voordoet en zal derhalve de voorlopige hechtenis opheffen.
Het hof is van oordeel dat de voorlopige hechtenis gegrond is op de zaak met parketnummer
15-130584-22.
De kennelijk aan de bestreden beslissing van de rechtbank ten grondslag liggende opvatting dat ook andere feiten dan waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen kunnen worden betrokken bij de vraag of een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voordoet is naar het oordeel van het hof onjuist.
De verdachte is gedagvaard voor de zitting van 22 december aanstaande voor de zaak met parketnummer 15-130584-22 en de zaak met parketnummer 15-102535-21. Op een zitting van de rechtbank (pro forma) zijn deze zaken gevoegd en zullen ter zitting van 22 december aanstaande behandeld worden.
Nu de verdachte enkel in voorlopige hechtenis zit voor de zaak met parketnummer 15-130584-22 en tot heden er geen aanvullende vordering ex artikel 67b van het Wetboek van Strafvordering danwel een bevel gevangenneming voor de andere zaak met parketnummer 15-102535-21 is gedaan, doet zich ten aanzien van parketnummer 15-130584-22 een situatie voor als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof heeft hierbij ook acht geslagen op artikel 72 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing

Het hof:
WIJST TOE het beroep tegen de bestreden beslissing.
VERNIETIGT de beschikking waarvan beroep.
HEFT OP de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Deze beschikking is gegeven op 14 december 2022 in raadkamer van dit hof door
mr. M.M.H.P. Houben, voorzitter,
mrs. J.W.P. van Heusden en M. Koek, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B. Berberoglu als griffier.
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Amsterdam, 14 december 2022,
de advocaat-generaal