ECLI:NL:GHAMS:2022:3742

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 december 2022
Publicatiedatum
12 januari 2023
Zaaknummer
23-003322-18
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 422 SvArt. 4 Penitentiaire beginselenwetArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling verkrachting stiefdochter met strafmatiging wegens termijnoverschrijding

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor verkrachting van zijn toen zestienjarige stiefdochter. De verdachte werd in eerste aanleg bij verstek veroordeeld en ontkende ter terechtzitting in hoger beroep, maar het hof verwierp zijn ontkenning en bevestigde het bewijs, waaronder het forensisch onderzoek dat DNA-materiaal aantoonde op intieme plaatsen van het slachtoffer.

De rechtbank had een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd. De advocaat-generaal vorderde in hoger beroep eveneens 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. De raadsman pleitte voor een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf vanwege de oude datum van de zaak en het ontbreken van recidive.

Het hof overwoog dat het misdrijf thuis, in de eigen woning, plaatsvond, waar het slachtoffer zich veilig had moeten voelen. De verdachte handelde uitsluitend vanuit eigen seksuele bevrediging en schaadde het vertrouwen van het slachtoffer ernstig. Het hof achtte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, maar matigde deze van 36 naar 24 maanden vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van ruim vier jaar.

De straf zal volledig in een penitentiaire inrichting worden uitgevoerd, met mogelijke deelname aan een penitentiair programma of regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank met vervanging van de strafmotivering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens verkrachting met strafmatiging wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003322-18
datum uitspraak: 27 december 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-659024-16 tegen
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] ( [geboorteland01] ) op [geboortedatum01] 1966,
adres: [adres01] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zal aanvullen indien cassatie wordt ingesteld, en dat de in het vonnis opgenomen motivering van de opgelegde straf wordt vervangen door de onderstaande.
Ter aanvulling en toelichting overweegt het hof het volgende.
De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld. Ter terechtzitting van het hof heeft de verdachte een ontkennende verklaring afgelegd. Noch deze verklaring noch het pleidooi van de raadsman brengt het hof tot een andere beslissing omtrent het bewijs dan die van de rechtbank. In het bijzonder is de redengevendheid voor het bewijs van de resultaten van het forensisch onderzoek niet ontzenuwd.
De verklaring van de verdachte dat het slachtoffer, voorzien van een badhanddoek, hem kort in bed heeft besprongen en de stelling van de raadsman dat secundaire overdracht van DNA-materiaal mogelijk is, zijn daartoe – gelet op de plaatsen van het aantreffen van DNA-materiaal, onder andere binnenste schaamlippen – onvoldoende.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde, verkrachting, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan – gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, ook in hoger beroep – 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
De raadsman heeft bepleit in geval van een bewezenverklaring af te zien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer is dan de twee dagen die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht en te volstaan met het opleggen van een forse taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij heeft het hof verzocht rekening te houden met feit dat het een oude zaak betreft, de verdachte op het gebied van zeden geen recidive heeft en sindsdien ook niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van zijn toen zestienjarige stiefdochter door met dwang zijn penis in haar vagina te brengen. Het misbruik vond thuis, in de eigen woning, plaats, een plek waar het slachtoffer zich bij uitstek, in het bijzijn van juist haar stiefvader, veilig had moeten voelen. De verdachte heeft met zijn handelen slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften en heeft geen enkele rekening gehouden met de gevoelens van het minderjarige slachtoffer. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat door seksueel misbruik de normale seksuele en persoonlijke ontwikkeling van een slachtoffer ernstig kan worden geschaad en dat slachtoffers daarvan nog lang psychische klachten kunnen ondervinden. Dit geldt in het bijzonder daar waar het kinderen betreft. De verdachte heeft het vertrouwen dat het slachtoffer in hem als stiefvader had, ernstig geschaad.
In het nadeel van de verdachte weegt het hof verder mee dat hij geen enkel inzicht heeft gegeven of verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De verdachte heeft volhard in zijn onschuld en daar bovenop het slachtoffer in een kwaad daglicht proberen te stellen bij haar familie. Dit beoordeelt het hof als grievend en daarmee zeer pijnlijk voor het slachtoffer. Hiermee heeft de verdachte duidelijk gemaakt dat hij zijn eigen belang nog steeds boven dat van het slachtoffer stelt.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de zojuist beschreven strafverzwarende omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend.
Het hof heeft evenwel acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden; het totale procesverloop heeft ruim acht jaren geduurd. Het hof ziet in deze overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaren reden de gevangenisstraf met 12 maanden te matigen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Jongeling, mr. V.M.A. Sinnige en mr. P.C. Verloop, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 december 2022.
mr. P.C. Verloop is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.