ECLI:NL:GHAMS:2022:495
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- P.C. Römer
- A.M. Koolen - Zwijnenburg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid betrokkene in hoger beroep ontnemingsvonnis wegens niet-handhaven grieven
In deze ontnemingszaak heeft het openbaar ministerie in eerste aanleg gevorderd dat betrokkene een bedrag van €186.495,20 aan de Staat zou betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De politierechter veroordeelde betrokkene op 17 december 2019 voor opzettelijk handelen in strijd met een verbod, diefstal in vereniging en medeplegen van het verijdelen van een veiligheidsmaatregel met gevaar voor goederen en levensgevaar. Tevens werd een betaling van €50.000,- opgelegd.
Betrokkene stelde hoger beroep in tegen het vonnis en de ontnemingsmaatregel. Tijdens de zitting van 4 februari 2022 heeft het hof vastgesteld dat betrokkene zijn grieven tegen het vonnis niet langer handhaaft, zoals eerder per e-mail van 20 december 2021 door zijn raadsvrouw was medegedeeld. De advocaat-generaal werd gehoord en het hof concludeerde dat er geen rechtens te respecteren belang meer is bij verdere behandeling.
Daarom verklaart het hof betrokkene niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 4 februari 2022, waarbij één rechter afwezig was voor medeondertekening.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet langer handhaven van zijn grieven.