Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Beoordeling
AMROonder meer aangevoerd dat zij het vonnis van 20 december 2005 niet eerder heeft ontvangen dan op 18 september 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een appellant die na het succesvol afronden van een schuldsaneringsregeling met een schone lei ontdekte dat zijn kredietregistraties bij ABN AMRO nog steeds bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) stonden geregistreerd. Hij vorderde schadevergoeding van de bank wegens het niet tijdig afmelden van deze kredieten.
De rechtbank wees de vorderingen af, omdat niet was komen vast te staan dat ABN AMRO eerder dan 18 september 2015 op de hoogte was van de schone lei. In hoger beroep voerde appellant aan dat het incassobureau Solveon, een dochter van ABN AMRO, in 2006 per mail en aangetekende brief op de hoogte was gesteld van de afmelding, maar kon dit niet met bewijs staven.
Het hof oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd van eerdere kennisname door ABN AMRO of Solveon. Ook ontbrak een bewijsaanbod voor getuigenverhoor. De stelling werd daarom gepasseerd. De vorderingen tot schadevergoeding werden afgewezen en het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd.
De appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam op 1 maart 2022.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende bewijs van eerdere kennisname door ABN AMRO.