De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot vier weken hechtenis en een verbeurdverklaring van €150 wegens het aanbieden van middelen als bedoeld in de Opiumwet op het Rembrandtplein te Amsterdam op of omstreeks 16 november 2016. In hoger beroep stelde de verdediging dat het proces-verbaal onduidelijk was over datum en locatie, wat tot vrijspraak zou moeten leiden. Het hof verwierp dit verweer omdat de locatie en het tijdstip voldoende duidelijk waren, mede gezien het feit dat de Utrechtsestraat overgaat in het Rembrandtplein en het feit rond middernacht plaatsvond.
De verdediging verzocht voorwaardelijk om het horen van getuigen die mogelijk meer duidelijkheid konden verschaffen, maar het hof zag hier geen aanleiding toe omdat hun verklaringen niet voor bewijs konden worden gebruikt. Het hof achtte het bewezen dat de verdachte zich op het Rembrandtplein ophield met het doel om (nep)drugs aan te bieden, en sprak de verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.
Gezien de ernst van het feit, de criminele uitstraling en de eerdere veroordelingen van de verdachte, achtte het hof de opgelegde straf passend, maar stelde deze om tot een geheel voorwaardelijke hechtenis van vier weken met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd het in beslag genomen geldbedrag van €150 verbeurd verklaard.