ECLI:NL:GHAMS:2022:667

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
4 maart 2022
Zaaknummer
23-001215-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs feitelijke aanranding minderjarige in winkelcentrum

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van feitelijke aanranding van een 12-jarig meisje in een winkelcentrum te Amstelveen.

De tenlastelegging betrof het onverhoeds betasten van de billen van het slachtoffer bij drie winkels. De verdachte heeft dit steeds ontkend. Hoewel camerabeelden van de derde winkel lieten zien dat verdachte vlak achter het slachtoffer liep en getuigen spraken over een veegbeweging, ontbrak het aan direct bewijs van de feitelijke aanraking.

De getuigenverklaringen waren interpretatief en boden geen feitelijke waarneming van de tenlastegelegde handeling. Gezien het ontbreken van andere ondersteunende bewijzen was het hof niet overtuigd van de schuld van verdachte.

Daarom werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van feitelijke aanranding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001215-19
datum uitspraak: 27 januari 2022
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-041469-18 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1946,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de is verdachte hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 oktober 2017 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] (die toen de leeftijd van 12 jaren had) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het één of meerdere ma(a)l(en) onverhoeds betasten en/of aanraken van de bil(len) van voornoemde [slachtoffer].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.

Vrijspraak

De aangeefster heeft namens haar dochter verklaard dat zij met haar moeder aan het winkelen was, achtereenvolgens bij de [winkel 1], de [winkel 2] en de [winkel 3], en dat de verdachte achtereenvolgens bij alle drie de winkels over haar billen heeft geveegd. De verdachte heeft dit altijd ten stelligste ontkent.
Het hof is van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat de beschuldiging klopt nu op de beelden van de [winkel 3] te zien is dat de verdachte vlak achter het slachtoffer langs loopt terwijl er voldoende ruimte is om te passeren. Echter op de beelden is de concrete tenlastegelegde handeling niet te zien. De beelden zijn uitgekeken door de manager van de [winkel 3], [naam 1], en door de beveiliger van het winkelcentrum, [naam 2]. [naam 2] heeft verklaard dat op de beelden van de [winkel 3] te zien is dat de verdachte zich met het slachtoffer tussen de schappen in een winkelpad bevond en haar daar kennelijk aanraakte. Het hof is van oordeel dat gelet op het woord ‘kennelijk’ de getuige de tenlastegelegde handeling niet duidelijk lijkt te hebben gezien. De getuige [naam 1] heeft verklaard dat de verdachte ‘op een niet normale manier langs het slachtoffer loopt’ en een ‘veegbeweging’ maakte. Allebei deze omschrijvingen zijn echter interpretaties van wat de getuige meent te zien en geen feitelijke beschrijvingen van wat die getuige daadwerkelijk heeft waargenomen.
Gelet hierop en bij gebreke van andere beelden en/of getuigen die steun bieden aan de aangifte is het hof van oordeel dat de aangifte onvoldoende ondersteuning vindt in ander bewijs. Het hof heeft niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. D. Radder en mr. A.M.P. Geelhoed,
in tegenwoordigheid van mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2022.
=========================================================================
[…]