Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank die het gezag over haar minderjarige dochter beëindigde en de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd benoemde. De minderjarige verblijft sinds december 2021 in een gezinshuis, waar zij rust en veiligheid ervaart. De moeder heeft het gezag altijd alleen uitgeoefend, maar de langdurige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsingen maakten het noodzakelijk het gezag te beëindigen.
De moeder stelt dat zij positief heeft gewerkt aan zichzelf en het verblijf in het gezinshuis ondersteunt, maar wisselende emoties en gedragingen zorgen voor onrust bij de minderjarige. De raad en GI benadrukken dat het belang van het kind vraagt om continuïteit en duidelijkheid over haar toekomstperspectief in het gezinshuis. De moeder kan onvoldoende onvoorwaardelijke emotionele steun bieden, wat de ontwikkeling van het kind bedreigt.
Het hof oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor gezagsbeëindiging is voldaan en dat bijzondere omstandigheden die instandhouding rechtvaardigen ontbreken. Het belang van de minderjarige bij een stabiele opvoedsituatie weegt zwaarder dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag. Het hof wijst het verzoek tot een nieuw deskundigenonderzoek af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder over de minderjarige en benoemt de gecertificeerde instelling tot voogd.