De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor driemaal poging tot zakkenrollerij in vereniging. Hij stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het hof heeft het bewijs opnieuw gewogen, waarbij het proces-verbaal van de verbalisant centraal stond. Ondanks het verweer van de verdediging dat de handelingen verkeerd geïnterpreteerd waren en camerabeelden geen pogingen tot diefstal toonden, achtte het hof het proces-verbaal betrouwbaar en overtuigend.
De feiten betroffen drie situaties waarbij de verdachte schouder aan schouder met medeverdachte achter Aziatische personen liep en handelingen verrichtte die gericht waren op het wegnemen van goederen uit rugtassen en jaszakken. Het hof concludeerde dat de verdachte en zijn mededader bewust en nauw samenwerkten bij deze pogingen tot diefstal.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de geraffineerde wijze van uitvoering en het feit dat de verdachte geen respect toonde voor andermans eigendommen. De verdachte had geen eerdere soortgelijke veroordelingen. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep matigde het hof de straf van 90 naar 80 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde werd bevestigd en de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 80 dagen.