Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 november 2022. De verdachte was veroordeeld, en het hof bevestigde dit vonnis in alle onderdelen behalve de beslissing over de schadevergoeding aan de benadeelde partij.
De benadeelde partij had een vordering tot immateriële schadevergoeding van €1.500 ingediend, die door de rechtbank niet-ontvankelijk was verklaard. In hoger beroep stelde de raadsvrouw van de verdachte dat de vordering niet ontvankelijk was omdat het een voorschot op smartengeld zou betreffen, of subsidiair dat de vordering gematigd moest worden.
Het hof oordeelde dat de vordering geen voorschot betrof, maar een vast te stellen deel van de schade. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de aantasting van de lichamelijke integriteit van de benadeelde, werd de immateriële schadevergoeding van €1.500 toegewezen. De wettelijke rente vanaf 1 april 2021 wordt daarbij vergoed. De overige onderdelen van het vonnis werden bevestigd.