ECLI:NL:GHAMS:2023:1767

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 juli 2023
Publicatiedatum
20 juli 2023
Zaaknummer
23-002597-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding benadeelde partij

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter van 21 september 2022. Het hof bevestigde het vonnis in alle onderdelen behalve de beslissing op de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding en de daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel, die werden vernietigd en herzien.

De benadeelde partij had een vordering ingediend van €4.500, bestaande uit materiële en immateriële schade. De politierechter kende in eerste aanleg €1.500 toe aan immateriële schade. In hoger beroep werd de vordering verlaagd tot €2.300 immateriële schade. Het hof oordeelde dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade had geleden en wees een bedrag van €1.000 aan immateriële schade toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 juli 2020.

Het hof legde een schadevergoedingsmaatregel op om de betaling door de verdachte te bevorderen, met een gijzelingstermijn van maximaal twintig dagen. De overige vorderingen tot schadevergoeding werden afgewezen. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de politierechter zonder wijzigingen.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis, wijzigt de schadevergoeding tot €1.000 immateriële schade met wettelijke rente en legt een schadevergoedingsmaatregel op.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002597-22
datum uitspraak: 20 juli 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 21 september 2022 in de strafzaak onder parketnummer 15-140981-21 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Wel zal het hof de gronden van de bewijsbeslissing aanvullen en verbeteren als volgt:
  • in geval van cassatie de bewijsmiddelen, die door de politierechter zijn genoemd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 september 2022, zullen worden uitgewerkt;
  • het hof de volgende zinsneden uit de bewijsoverweging niet overneemt: “De politierechter is voorts van oordeel dat de aangifte wordt ondersteund door de emoties van de aangeefster die kort na het incident door de vader en de partner van de aangeefster zijn waargenomen. Tenslotte is de politierechter van oordeel dat de aangifte wordt ondersteund door de eerdere aangiften die zijn gedaan tegen de verdachte van soortgelijke incidenten.”.
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof verder niet gebracht tot andere overwegingen en beslissingen dan die van de politierechter.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 4.500,00, bestaande uit € 3.000,00 (toekomstige kosten therapeut) aan materiele schade en € 1.500.00 aan immateriële schade. De vordering is door de politierechter toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00 ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat de vordering ter zitting in hoger beroep is verlaagd tot € 2.300,00 aan immateriële schade.
Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Uit de ingediende vordering en de toelichting ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het bewezenverklaarde grote gevolgen heeft gehad voor de benadeelde partij. Als gevolg van het bewezenverklaarde ervaart de benadeelde partij gevoelens van onveiligheid, walging, machteloosheid en zelfverwijt. Zij volgt hier EMDR-therapie voor. Het hof is van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd en zal naar billijkheid een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade toewijzen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen. Het hof zal het overige deel van de gevorderde immateriële schade afwijzen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2020.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Jansen en B. Appelman, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juli 2023.
mr. Van Asperen de Boer-Delescen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.