De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor bedreiging van zorgverleners met woorden als "Ik gooi je voor de trein" en "Moet ik een pistool halen en iemand neerschieten". In hoger beroep werd het vonnis bevestigd, maar de zaak werd door de Hoge Raad terugverwezen vanwege ontoerekeningsvatbaarheid.
Het hof heeft de feiten opnieuw onderzocht en vastgesteld dat de bedreigingen wettig en overtuigend bewezen zijn. De bedreigde zorgverleners voelden zich door de uitlatingen terecht bedreigd, ondanks hun kennis van de psychiatrische stoornissen van de verdachte.
De verdediging voerde aan dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was vanwege meerdere psychiatrische stoornissen, waaronder schizofrenie en persoonlijkheidsstoornis. Het hof oordeelde echter dat onvoldoende aannemelijk was dat de stoornissen het gedrag volledig verklaren en achtte de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
Gelet op de verminderd toerekeningsvatbaarheid en de omstandigheden legde het hof geen straf op voor de bewezen bedreigingen, maar bepaalde het een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur en 10 dagen hechtenis voor andere feiten die niet aan het hof waren voorgelegd. De proeftijd werd vastgesteld op 2 jaar.