ECLI:NL:GHAMS:2023:2037
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- G.W. Brands-Bottema
- R.M. Troost
- J.A. van Keulen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep alimentatie: vaststelling kinder- en partneralimentatie na ontbinding huwelijk en beëindiging vof
Het geschil betreft de vaststelling van kinder- en partneralimentatie na de ontbinding van het huwelijk van partijen en de beëindiging van hun gezamenlijke vennootschap onder firma (vof). De vrouw vorderde een hogere partnerbijdrage dan door de rechtbank vastgesteld, terwijl de man een lagere partner- en kinderbijdrage en terugbetaling van te veel betaalde bedragen verzocht.
Het hof onderzocht de behoefte van de kinderen en de vrouw, alsmede de draagkracht van de man en vrouw. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) gebaseerd op privé-onttrekkingen uit de onderneming over de jaren 2018-2020. De draagkracht van de man werd berekend op basis van de gemiddelde privé-uitgaven over 2019-2021, rekening houdend met het feit dat hij de onderneming sinds eind 2021 alleen voortzet.
De kinderbijdrage werd vastgesteld op €602 per kind per maand vanaf 23 december 2021. De partnerbijdrage werd vastgesteld op €644 per maand vanaf 2 februari 2023, met een verdeling in twee perioden: zonder verdiencapaciteit tot 1 januari 2025 en met verdiencapaciteit vanaf die datum. Het hof wees het verzoek van de man tot afbouw of nihilstelling van de partnerbijdrage af vanwege de lange huwelijksduur en de toekomstige verdiencapaciteit van de vrouw.
Tot slot oordeelde het hof dat de vrouw niet verplicht is tot terugbetaling van te veel betaalde alimentaties, gezien haar huidige financiële situatie en het feit dat de bijdragen zijn gebruikt voor levensonderhoud. De beschikking van de rechtbank werd op deze punten vernietigd en vervangen door de nieuwe vaststellingen.
Uitkomst: De man moet kinderbijdrage van €602 per kind en partnerbijdrage van €644 per maand betalen, met afwijzing van verzoeken tot afbouw en terugbetaling.