De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van afdreiging jegens het slachtoffer, waarbij hij samen met een medeverdachte het slachtoffer dwong tot het overmaken van in totaal €3.000 onder dreiging dat naaktfoto's en seksueel getinte berichten openbaar zouden worden gemaakt.
De zaak draaide om bedreigingen via telefoongesprekken en WhatsApp-berichten in de periode van 31 oktober tot 2 november 2018. De verdachte heeft zelf een bedrag gepind van de rekening van een medeverdachte, maar het hof oordeelde dat dit niet op medeplichtigheid duidt. De verklaring van een getuige die het afpersingsproces beschreef, werd als geloofwaardig beoordeeld ondanks latere tegenstrijdige verklaringen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam en stelde vast dat sprake was van medeplegen. Er was sprake van een vormverzuim door onrechtmatige verkrijging van historische verkeersgegevens, maar dit leidde niet tot strafvermindering omdat het hof aannam dat een rechterlijke machtiging zonder meer was verleend. De redelijke termijn was overschreden, wat resulteerde in een strafvermindering van twee maanden.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, rekening houdend met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en de omstandigheden waaronder het delict werd gepleegd.