ECLI:NL:GHAMS:2023:2218
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing verzoek moeder tot herstel gezag over minderjarige
De moeder verzocht om herstel in het gezag over haar minderjarige kind, wiens gezag in 2021 was beëindigd en waarbij de gecertificeerde instelling (GI) tot voogd was benoemd. Het kind woont sinds juni 2022 bij de moeder, nadat hij was weggelopen bij zijn pleegouders, maar het hof oordeelt dat herstel van het gezag niet in het belang van het kind is.
De moeder stelt dat het kind bij haar wil wonen en dat de GI onvoldoende actie heeft ondernomen toen het kind was weggelopen. De GI betoogt dat de thuissituatie van de moeder onstabiel is en dat het gezag bij een neutrale instantie moet blijven om de belangen van het kind te waarborgen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert eveneens de beschikking te bekrachtigen.
Het hof overweegt dat de moeder sinds 2003 hulpverlening ontvangt en dat het kind jarenlang niet bij haar heeft gewoond. Er zijn loyaliteitsconflicten en een moeizame verstandhouding met de pleegouders. De moeder heeft het kind gesteund in het niet delen van zijn verblijfplaats met de voogd, wat niet in het belang van het kind is. Het hof acht het noodzakelijk dat de GI met de voogdij belast blijft om de hulpverlening te waarborgen.
Hoewel het positief is dat belangrijke zaken zoals school, legitimatiebewijs en huisarts inmiddels geregeld zijn, acht het hof het belang van het kind gediend met voortzetting van de voogdij bij de GI. Het verzoek van de moeder wordt daarom afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek van de moeder tot herstel in het gezag over de minderjarige.