De stichting Fonds voor het Hart stelde een klacht in tegen drie notarissen vanwege onduidelijkheid over haar erfgenaamschap in het testament van erflater en de daaropvolgende verklaringen van erfrecht. De stichting was aanvankelijk als erfgenaam genoemd in een verklaring van erfrecht, maar later werd dit ingetrokken, wat leidde tot onzekerheid en kosten voor de stichting.
De klacht bestond uit meerdere onderdelen, waaronder onzorgvuldige redactie van het testament, gebrek aan openheid over de totstandkoming, onzorgvuldige verklaringen, schending van de geheimhoudingsplicht, en onzorgvuldige afgifte van verklaringen van erfrecht. Het hof oordeelde dat de klacht tegen de oud-notaris over geheimhouding ontvankelijk maar ongegrond was, en dat andere klachten tegen hem niet-ontvankelijk waren omdat hij in die periode niet als notaris actief was.
Tegen de oud-kandidaat-notaris waren de klachten ongegrond, mede omdat onderzoek naar het handelsregister destijds niet verplicht was. Tegen de notaris was de klacht over de onzorgvuldige afgifte van de eerste verklaring van erfrecht gegrond, omdat zij onvoldoende onderzoek had gedaan naar de juiste vestigingsplaats en naam van de stichting. De tweede verklaring van erfrecht was terecht afgegeven om de fout te herstellen.
Het hof vernietigde het bestreden besluit voor zover het klachtonderdeel over geheimhouding niet-ontvankelijk was verklaard, verklaarde dit onderdeel ongegrond en bevestigde het overige. De notaris werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Er werd geen maatregel opgelegd.