ECLI:NL:GHAMS:2023:2318
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hof herverdeelt huwelijksgoederengemeenschap en bepaalt waarde appartementsrecht
In deze zaak stond de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen de vrouw en de man centraal, met bijzondere aandacht voor de waarde van een appartementsrecht en de draagplicht voor een PGB-schuld. Na benoeming van een deskundige die de waarde van het appartementsrecht taxeerde op €189.000, stelde het hof vast dat de rechtbank de waarde te laag had vastgesteld.
De rechtbank had het appartementsrecht, de hypotheekschuld en de kapitaalverzekering aan de man toegedeeld en een onderwaarde vastgesteld, waarvan de vrouw de helft aan de man moest voldoen. Het hof corrigeerde dit door de waarde te verhogen naar €189.000, wat leidde tot een hogere vergoeding aan de vrouw van €27.471. De vrouw slaagde hiermee in haar grief tegen de rechtbank.
Ten aanzien van de PGB-schuld oordeelde het hof dat niet kon worden vastgesteld of deze schuld tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde, waardoor de man niet mede draagplichtig is. De vordering van de man om de vrouw als enige draagplichtige aan te wijzen werd afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de waarde van het appartementsrecht en de draagplicht voor de PGB-schuld betrof, stelde de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap opnieuw vast en bepaalde dat de man €28.971 aan de vrouw moet voldoen wegens overbedeling van de woning. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof stelt de waarde van het appartementsrecht vast op €189.000 en bepaalt dat de man €28.971 aan de vrouw moet betalen; de draagplicht voor de PGB-schuld wordt niet toegewezen aan de man.