De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank die de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [kind 1] bij de vader heeft bepaald. De moeder verzocht tevens om een nader deskundigenonderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv, hetgeen door het hof is afgewezen.
De minderjarige is sinds december 2022 bij de vader geplaatst na een langdurige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing vanwege ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Diverse onderzoeken, waaronder van Buro Bloei en het NIFP, hebben de situatie geanalyseerd. Hoewel het NIFP-onderzoek naar een ander kind van de moeder een positiever beeld gaf, acht het hof dit geen reden voor een nieuw onderzoek naar [kind 1].
Het hof benadrukt dat het belang van het kind voorop staat, waarbij stabiliteit, veiligheid en continuïteit cruciaal zijn. [kind 1] is gesetteld bij de vader, heeft daar een goede vertrouwensrelatie en wil zelf ook bij hem blijven wonen. De omgang met de moeder en broers zal worden verruimd, mits het kind dit emotioneel toestaat.
De moeder had voldoende gelegenheid om verweer te voeren en het hof oordeelt dat de rechtbank terecht ontvankelijkheid van de vader heeft aangenomen. Het verzoek van de moeder wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd.