Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in zaken betreffende bedreigingen en belediging door de verdachte. De verdachte had zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen met de dood en grove beledigingen, onder meer aan politieambtenaren, wat bij de slachtoffers angst en overlast veroorzaakte.
Een centraal punt was de kwalificatie van het spugen in het gezicht van een hotelmanager tijdens de coronapandemie. De advocaat-generaal stelde dat dit als bedreiging met zware mishandeling moest worden gezien, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad. Het hof oordeelde echter dat het spugen niet gericht was op het veroorzaken van vrees voor zwaar lichamelijk letsel en dat kennis van coronamaatregelen niet automatisch opzet impliceert.
De strafoplegging werd heroverwogen. Gezien de bewezen feiten dateren van vóór de onherroepelijke ISD-maatregel die de verdachte onderging, en de positieve ontwikkelingen in zijn leven sinds die maatregel, besloot het hof geen straf of maatregel op te leggen. Tevens werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf afgewezen, omdat deze reeds was uitgevoerd.
Het hof vernietigde het vonnis voor wat betreft strafoplegging en tenuitvoerlegging en deed in die onderdelen opnieuw recht, waarbij het geen straf oplegde voor de bewezen feiten in de onderhavige zaken.