In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kinderrechter vernietigd en een andere bewijsconstructie gehanteerd. De verdachte werd beschuldigd van mishandeling van een jongen in een metro door een trap tegen diens zij te geven. De verklaring van de verdachte dat hij tegen de deur trapte werd door het hof als ongeloofwaardig beoordeeld, mede op basis van camerabeelden en getuigenverklaringen.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten, zodat de verdachte strafbaar werd verklaard voor mishandeling. De verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf van 20 uren, bij niet verrichten te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaar.
De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend van €550,-, waarvan in eerste aanleg €300,- werd toegewezen. Het hof wees deze vordering in hoger beroep af omdat de mishandeling niet gepaard ging met letsel en het geestelijk letsel onvoldoende was onderbouwd. De kosten van de tenuitvoerlegging werden begroot op nihil.
Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep voor het deel gericht tegen een eerdere vrijspraak. Het arrest werd uitgesproken door een meervoudige strafkamer op 5 oktober 2023.