Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2023:2541

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 oktober 2023
Publicatiedatum
26 oktober 2023
Zaaknummer
23-002947-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel en ontnemingsmaatregel wegens medeplegen drugsverkoop

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd en opnieuw recht gedaan in een ontnemingszaak tegen betrokkene, die was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.

Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €6.560,00, gebaseerd op een gedetailleerde berekening van de netto winst per dienst, het aantal diensten per week en de bewezenverklaarde pleegperiode van 41 weken. Hierbij is rekening gehouden met de verklaring van betrokkene over zijn verdiensten en de vastgestelde feiten over de frequentie van de drugshandel.

De rechtbank had eerder een hoger bedrag vastgesteld, maar het hof achtte dit niet aannemelijk gelet op de rol van betrokkene als loopjongen en zijn beperkte aandeel in de winst. De betalingsverplichting aan de Staat is dienovereenkomstig vastgesteld. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 131 dagen.

Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar heeft deze reeds in de strafzaak verdisconteerd en daarom geen verdere vermindering toegepast in deze ontnemingszaak.

De ontnemingsmaatregel is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van €6.560,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002947-21
datum uitspraak: 26 oktober 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 10-660292-16 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft bij inleidende vordering gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 55.968,06.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2019 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Voorts heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 1 april 2021 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 16.450,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag € 15.627,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2023 veroordeeld ter zake van – kort gezegd en voor zover van belang – medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op € 16.450,00.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte inmiddels nader inzicht heeft gegeven in zijn betrokkenheid en zijn verdiensten als gevolg van de strafbare feiten en dat zowel de pleegperiode als de verdiensten niet in lijn liggen met hetgeen de rechtbank hierover heeft bepaald. De verdachte was destijds zeer jong en hij was slechts een loopjongen. Hij had niets en hij was dus makkelijk te verleiden met een zeer geringe beloning. In eerste aanleg heeft de verdachte reeds ter zitting verklaard dat het in een dergelijk geval tientjeswerk is en geenszins in de buurt komt van hetgeen de opdrachtgevers verdienen; hij schat dat zijn verdiensten niet meer waren dan € 100,00 per week. De raadsman heeft aangevoerd dat de pleegperiode maximaal 147 dagen (van 1 januari 2016 tot en met 26 mei 2016) zou moeten behelzen en het wederrechtelijk verkregen voordeel maximaal zou moeten worden vastgesteld op een bedrag van (€ 100,00 : 7 x 147=) € 2.100,00.
De grondslag
Het hof heeft in de strafzaak de betrokkene veroordeeld voor kort gezegd en voor zover relevant het frequent afleveren van harddrugs in de periode van 10 augustus 2015 tot en 25 mei 2016. Op grond van deze veroordeling kan aan de betrokkene de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde.
De berekening
Gelet op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e, 1e lid Sr ten aanzien van [verdachte] (hierna: Ontnemingsrapportage) gaat het hof ervan uit dat per dag (afgerond) 108 eenheden cocaïne/heroïne werden verkocht. [1] Het hof gaat uit van drie diensten per dag en dus van een verkoop van 36 eenheden per dienst. De verkoopprijs per eenheid cocaïne/heroïne bedraagt € 10,00. [2]
De bruto opbrengst per dienst bedraagt:
36 x € 10,00 = € 360,00
Kosten cocaïne per dag [3]
Inkoopprijs € 290,34
Versnijdingsmiddel € 0,02
Verpakkingskosten € 3,62
Brandstofkosten € 25,13
Telefoonkosten € 10,00
Huurkosten € 16,52
Totaal € 345,63
Kosten heroïne per dag [4]
Inkoopprijs € 106,86
Versnijdingsmiddel € 0,10
Verpakkingskosten € 1,78
Brandstofkosten € 12,38
Telefoonkosten € 10,00
Huurkosten € 8,14
Totaal € 139,26
Totaalkosten per dag
€ 345,63 + € 139,26 = € 484,89
Totaal kosten per dienst
€ 484,89 : 3 = € 161,63
De kosten bedragen per dienst (afgerond) € 161,00
De netto winst per dienst bedraagt:
€ 360,00 - € 161,00 = € 199,00
Gelet op het feit dat niet is gebleken dat de betrokkene mede-eigenaar was van de drugslijn acht het hof het niet aannemelijk dat de gehele netto winst per dienst aan de betrokkene toekwam. Aannemelijk is dat hij een percentage van de winst per dienst kreeg. Het hof schat dit percentage op 20%. Dat is afgerond (0,20 x € 199,00=) € 40,00 per dienst. Dit is ook in lijn met de verklaring van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep dat hij € 40,00 à € 50,00 per dag (het hof begrijpt: per dienst) kreeg. De stelling van de betrokkene dat hij slechts twee dagen per week werkte is niet aannemelijk geworden. Het hof heeft in de strafzaak vastgesteld dat de betrokkene vier dagen per week drugs verkocht en zal voor de berekening daarom van dit aantal uitgaan. Het hof heeft in de strafzaak als pleegperiode
10 augustus 2015 tot en met 25 mei 2016 bewezenverklaard. Deze periode behelst (naar beneden afgerond) 41 weken.
Het voordeel per week bedraagt:
€ 40,00 x 4 = € 160,00
Het voordeel over de bewezenverklaarde periode bedraagt:
€ 160,00 x 41 = € 6.560,00
Het hof stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 6.560,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de betalingsverplichting zal worden verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de staat van € 14.804,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft het hof verzocht rekening te houden met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn bij behandeling van deze zaak in eerste aanleg en hoger beroep is overschreden. Aangezien het hof de overschrijding van de redelijke termijn reeds in de in hoger beroep gelijktijdig behandelde strafzaak heeft verdisconteerd, zal het hof in de ontnemingszaak volstaan met de constatering dat een overschrijding heeft plaatsgevonden.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.560,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 6.560,00 (zesduizend vijfhonderdzestig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 6.560,00 (zesduizend vijfhonderdzestig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 131 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. B.E. Dijkers en mr. M.R. Paardekooper, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 oktober 2023.

Voetnoten

1.Ontnemingsrapportage pag. 5.
2.Ontnemingsrapportage pag. 5.
3.Ontnemingsrapportage pag. 6-7.
4.Ontnemingsrapportage pag. 8-9.