In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd en opnieuw recht gedaan in een ontnemingszaak tegen betrokkene, die was veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €6.560,00, gebaseerd op een gedetailleerde berekening van de netto winst per dienst, het aantal diensten per week en de bewezenverklaarde pleegperiode van 41 weken. Hierbij is rekening gehouden met de verklaring van betrokkene over zijn verdiensten en de vastgestelde feiten over de frequentie van de drugshandel.
De rechtbank had eerder een hoger bedrag vastgesteld, maar het hof achtte dit niet aannemelijk gelet op de rol van betrokkene als loopjongen en zijn beperkte aandeel in de winst. De betalingsverplichting aan de Staat is dienovereenkomstig vastgesteld. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 131 dagen.
Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar heeft deze reeds in de strafzaak verdisconteerd en daarom geen verdere vermindering toegepast in deze ontnemingszaak.
De ontnemingsmaatregel is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.