Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2023:2542

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 oktober 2023
Publicatiedatum
26 oktober 2023
Zaaknummer
23-002835-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel drugsbestellijn

De betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met een opgelegd bedrag aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 6.887,00. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw vastgesteld.

Het hof baseerde de nieuwe berekening op een gedetailleerde analyse van de verkoop van cocaïne en heroïne in de periode van 1 januari 2016 tot en met 25 mei 2016. Hierbij werd rekening gehouden met de netto winst per dienst, de geschatte werkweken en het percentage van de winst dat toekwam aan de betrokkene. Het hof achtte aannemelijk dat de betrokkene gemiddeld 2,5 dagen per week werkte en een winst van € 40 per dienst ontving.

De verdediging had gesteld dat de betrokkene minder vaak werkte, maar dit werd door het hof niet aannemelijk geacht. Tevens werd een overschrijding van de redelijke termijn geconstateerd, maar deze werd reeds in de strafzaak verdisconteerd. Het hof legde de verplichting tot betaling van € 2.000,00 aan de Staat op ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van € 2.000,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002835-21
datum uitspraak: 26 oktober 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 10-660468-16 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft bij inleidende vordering gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 24.666,78.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2019 – voor zover relevant – veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.
Voorts heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 1 april 2021 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 7.250,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag
€ 6.887,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2023 veroordeeld ter zake van – voor zover relevant – medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op € 7.250,00.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht bij de berekening van het voordeel ervan uit te gaan dat de betrokkene niet elke dag werkte, maar gemiddeld twee dagen per week. Uitgaande van een voordeel van € 50,00 per dag en een totaal van 41 werkdagen, zou dat moeten leiden tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 2.050,00. Als in het voordeel van de betrokkene wordt uitgegaan van een pleegperiode die een maand korter is, zou een bedrag van € 1.800,00 moeten worden vastgesteld.
De grondslag
Het hof heeft in de strafzaak de betrokkene veroordeeld voor kort gezegd het frequent afleveren van harddrugs in de periode van 1 januari 2016 tot en met 25 mei 2016. Op grond van deze veroordeling kan aan de betrokkene de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde.
De berekening
Gelet op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e, 1e lid Sr ten aanzien van [verdachte] (hierna: Ontnemingsrapportage) gaat het hof ervan uit dat per dag (afgerond) 108 eenheden cocaïne/heroïne werden verkocht. [1] Gelet op de verklaring van de betrokkene dat hij acht à negen uren reed, gaat het hof uit van drie diensten per dag en dus van een verkoop van 36 eenheden per dienst. De verkoopprijs per eenheid cocaïne/heroïne bedraagt € 10,00. [2]
De bruto opbrengst per dienst bedraagt:
36 x € 10,00 = € 360,00
Kosten cocaïne per dag [3]
Inkoopprijs € 290,34
Versnijdingsmiddel € 0,02
Verpakkingskosten € 3,62
Brandstofkosten € 25,13
Telefoonkosten € 10,00
Huurkosten € 16,52
Totaal € 345,63
Kosten heroïne per dag [4]
Inkoopprijs € 106,86
Versnijdingsmiddel € 0,10
Verpakkingskosten € 1,78
Brandstofkosten € 12,38
Telefoonkosten € 10,00
Huurkosten € 8,14
Totaal € 139,26
Totaalkosten per dag
€ 345,63 + € 139,26 = € 484,89
Totaal kosten per dienst
€ 484,89 : 3 = € 161,63
De kosten bedragen per dienst (afgerond) € 161,00
De netto winst per dienst bedraagt:
€ 360,00 - € 161,00 = € 199,00
Gelet op het feit dat niet is gebleken dat de betrokkene mede-eigenaar was van de drugslijn acht het hof het niet aannemelijk dat de gehele netto winst per dienst aan de betrokkene toekwam. Aannemelijk is dat hij een percentage van de winst per dienst kreeg. Het hof schat dit percentage op 20%. Dat is afgerond (0,20 x €199,00=) € 40,00 per dienst. Dat komt ook overeen met de verklaring van de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep dat hij € 40,00 à € 50,00 per dag (het hof begrijpt: per dienst) kreeg. De stelling van de betrokkene dat hij slechts één à twee dagen per week werkte is niet aannemelijk geworden. Het hof heeft in de strafzaak vastgesteld dat de betrokkene twee à drie dagen per week drugs verkocht en zal voor de berekening (in het voordeel van de betrokkene) uitgaan van 2,5 dagen per week.
De bewezenverklaarde periode van 1 januari 2016 tot en met 25 mei 2016 behelst (naar beneden afgerond) twintig weken.
Het voordeel per week bedraagt:
€ 40,00 x 2,5 = € 100,00
Het voordeel over de bewezenverklaarde periode bedraagt:
€ 100,00 x 20 = € 2.000,00
Het hof stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.000,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de betalingsverplichting zal worden verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de staat van € 6.524,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn tot een korting op de betalingsverplichting moet leiden.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn bij behandeling van deze zaak in eerste aanleg en hoger beroep is overschreden. Aangezien het hof de overschrijding van de redelijke termijn reeds in de in hoger beroep gelijktijdig behandelde strafzaak heeft verdisconteerd, zal het hof in de ontnemingszaak volstaan met de constatering dat een overschrijding heeft plaatsgevonden.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op
40 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. B.E. Dijkers en mr. M.R. Paardekooper, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 oktober 2023.

Voetnoten

1.Ontnemingsrapportage pag. 5.
2.Ontnemingsrapportage pag. 5.
3.Ontnemingsrapportage pag. 6-7.
4.Ontnemingsrapportage pag. 8-9.