De betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met een opgelegd bedrag aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 6.887,00. In hoger beroep heeft het hof het vonnis vernietigd en het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw vastgesteld.
Het hof baseerde de nieuwe berekening op een gedetailleerde analyse van de verkoop van cocaïne en heroïne in de periode van 1 januari 2016 tot en met 25 mei 2016. Hierbij werd rekening gehouden met de netto winst per dienst, de geschatte werkweken en het percentage van de winst dat toekwam aan de betrokkene. Het hof achtte aannemelijk dat de betrokkene gemiddeld 2,5 dagen per week werkte en een winst van € 40 per dienst ontving.
De verdediging had gesteld dat de betrokkene minder vaak werkte, maar dit werd door het hof niet aannemelijk geacht. Tevens werd een overschrijding van de redelijke termijn geconstateerd, maar deze werd reeds in de strafzaak verdisconteerd. Het hof legde de verplichting tot betaling van € 2.000,00 aan de Staat op ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.