In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd en opnieuw recht gedaan in een ontnemingszaak tegen de betrokkene wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
De betrokkene was eerder veroordeeld voor het medeplegen van het exploiteren van een drugsbestellijn, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel aanvankelijk was vastgesteld op €15.627,00. Het hof heeft op basis van een gedetailleerde berekening van de netto winst per dienst en het aandeel van de betrokkene in de winst het voordeel vastgesteld op €6.580,00.
De verdediging voerde aan dat de betrokkene niet dagelijks geld verdiende vanwege het rouleren van diensten en dat hij geen mede-eigenaar was, wat het hof heeft meegenomen in de herberekening. Tevens is de draagkracht van de betrokkene besproken, maar het hof oordeelde dat dit pas in de executiefase relevant is.
Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar aangezien dit reeds in de strafzaak was verdisconteerd, werd dit in de ontnemingszaak slechts vastgesteld zonder verdere vermindering. De betrokkene is verplicht tot betaling van €6.580,00 aan de Staat, met een maximale gijzelingstermijn van 131 dagen.