De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor handel in cocaïne en heroïne in Rotterdam in de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 mei 2016. Hij stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2019. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak voor feiten voorafgaand aan 1 januari 2015 vanwege wettelijke beperkingen.
Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen van kopers die de verdachte en zijn medeverdachten als bezorgers herkenden, politieonderzoek met observaties en afluisteringen van telefoongesprekken via twee drugsbestellijnen die 24/7 bereikbaar waren. De getuigenverklaringen werden kritisch beoordeeld maar als betrouwbaar geacht, ondanks dat sommige getuigen verslaafd waren. De verdachte legde in hoger beroep een deels bekennende verklaring af over zijn betrokkenheid bij de handel.
Het hof oordeelde dat sprake was van medeplegen binnen een georganiseerde drugslijn waarbij verschillende personen diensten afwisselden. De verdachte vervoerde, leverde en verkocht gebruikershoeveelheden cocaïne en heroïne. De strafbaarheid werd bevestigd. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn en de positieve ontwikkeling van de verdachte werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf omgezet in een voorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden met een proeftijd van twee jaar, aangevuld met een taakstraf van 240 uur.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het inhoudelijk werd beoordeeld, verklaarde het bewezenverklaarde strafbaar en veroordeelde de verdachte conform de opgelegde straffen. De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen eerdere vrijspraakbeslissingen.