ECLI:NL:GHAMS:2023:2658

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2023
Publicatiedatum
10 november 2023
Zaaknummer
23-000375-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gevangenisstraf en schadevergoeding na misdrijf ondanks persoonlijke problematiek verdachte

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden en een schadevergoeding aan de benadeelde partij.

Tijdens het hoger beroep heeft het hof het bewijs aangepast door het proces-verbaal van verhoor te vervangen door een bekennende verklaring van de verdachte. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder psychische en verslavingsproblematiek, werden meegewogen, evenals het feit dat hij niet voldeed aan de voorwaarden van de geschorste voorlopige hechtenis.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €286, bestaande uit materiële schade voor het ophalen van spullen en het leegrijden van een autootank. Het hof oordeelde dat er geen reden was om af te wijken van het vonnis in eerste aanleg en bevestigde zowel de straf als de schadevergoeding.

De verdachte kreeg meerdere kansen om zijn situatie te verbeteren, maar maakte hier geen gebruik van. Het hof achtte dit reden om de opgelegde straf te handhaven zonder vermindering.

Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 26 januari 2023.

Uitkomst: Gevangenisstraf van 20 maanden en schadevergoeding van €286 bevestigd.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000375-21
datum uitspraak: 26 januari 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 januari 2021 in de strafzaak onder parketnummer 15-117913-20 tegen
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1987,
adres: [adres01] ,
thans gedetineerd in [detentieadres01] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
19 december 2022 en 12 januari 2023, en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vordering advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest, en heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gevorderd dat deze hoofdelijk wordt toegewezen tot een bedrag van € 286,00, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof het als tweede opgenomen bewijsmiddel op blad 19 van (de bijlage bij) het vonnis (te weten: het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 2 mei 2020 (pagina 245 e.v.) vervangt door de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 3 augustus 2021, inhoudende:
‘Ik beken dat ik bij de tenlastegelegde feiten betrokken was, zoals door de rechtbank bewezen is verklaard.’
Daarnaast overweegt het hof naar aanleiding van de in hoger beroep gevoerde verweren nog als volgt.
Het hof heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte, die onder meer kampt met psychische/ persoonlijkheids- en verslavingsproblematiek, in de voorliggende zaak op 11 mei 2022 geschorst en daaraan, kort gezegd en onder meer, als voorwaarden verbonden dat hij zich zou houden aan een meldplicht bij de reclassering en dat hij zich, indien geïndiceerd, ter diagnosestelling zou laten opnemen in een kliniek. Uit het reclasseringsrapport van 10 oktober 2022 blijkt dat de verdachte, nadat bekend werd dat hij op 4 oktober 2022 kon worden opgenomen in een kliniek ten behoeve van diagnostiek, zich aldaar niet heeft laten opnemen en dat hij meerdere meldplicht afspraken bij de reclassering niet is nagekomen. De verdachte heeft kans op kans gehad en deze niet benut. In dat licht ziet het hof in hetgeen in hoger beroep over de persoonlijke situatie van de verdachte naar voren is gebracht geen aanleiding de verdachte een andere of lagere straf op te leggen dan de rechter in eerste aanleg.
Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij overweegt het hof dat de benadeelde partij zich niet opnieuw in hoger beroep heeft gevoegd, zodat de vordering in hoger beroep aan de orde is tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 136,00, ter compensatie van materiële schade. Deze schade bestaat uit de kosten voor het ophalen van spullen uit Alkmaar (€ 76,00) en het leegrijden van de tank van de auto (€ 60,00). Het hof ziet in hetgeen door de verdediging met betrekking tot de vordering naar voren is gebracht geen aanleiding ten aanzien daarvan een andere beslissing te nemen dan de rechter in eerste aanleg.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. van der Heijden, mr. J.J.I. de Jong en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M. van Gennip, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 januari 2023.
Mr. B.A.A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]