ECLI:NL:GHAMS:2023:3097
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij omgangsregeling minderjarige met verblijf in Nederland
Partijen zijn voormalige partners met een minderjarige zoon geboren in 2019. De vader heeft het kind niet erkend en verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor erkenning en gezamenlijk gezag. De voorzieningenrechter legde een omgangsregeling op, die de moeder in hoger beroep aanvocht met twee grieven, waaronder de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
Het hof beoordeelt de bevoegdheid aan de hand van Brussel II-ter en stelt vast dat het peilmoment de dag van de dagvaarding is, 8 december 2022. De moeder betoogt dat het kind zijn gewone verblijfplaats in [plaats A] had, terwijl de vader stelt dat het kind sinds mei 2022 in Nederland woont en daar is ingeschreven, naar school gaat en sociale integratie doormaakt.
Het hof concludeert dat het kind op 8 december 2022 zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, mede gelet op de feitelijke omstandigheden, inschrijving in de Basisregistratie Personen, Nederlandse kinderopvang en school, en de intentie van de ouders om zich in Nederland te vestigen. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt bevestigd.
Na overeenstemming tussen partijen over de omgangsregeling wordt het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd voor zover het de omgang betreft en wordt een nieuwe regeling vastgesteld waarbij het kind wekelijks op zondag via Facetime contact heeft met de vader en maandelijks per e-mail informatie wordt verstrekt. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is bevoegd en de omgangsregeling wordt aangepast met wekelijkse Facetime-contactmomenten en maandelijkse informatieverstrekking.