Deze zaak betreft een verzoek van een minderheidsaandeelhouder om een enquête te gelasten naar het beleid en de gang van zaken binnen twee besloten vennootschappen, waarvan één de aandelen van de ander houdt. De verzoekster, aandeelhouder van 30%, stelt dat er gegronde redenen zijn om aan het beleid te twijfelen, onder meer vanwege het ontbreken van aandeelhoudersvergaderingen sinds 2009, onvoldoende informatieverstrekking, een mogelijk ondeugdelijk financieel beleid en het onvermogen van de bestuurder door ziekte.
De verweersters en belanghebbenden betwisten de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het verzoek. De Ondernemingskamer oordeelt dat de verzoekster wel degelijk gerechtigd is tot het verzoek en dat er gegronde redenen zijn om een onderzoek te gelasten. De Kamer wijst op het ontbreken van formele vergaderingen, onvoldoende informatieverstrekking, onduidelijkheden over exploitatiekosten en het ontbreken van een geldige vervanger voor de zieke bestuurder.
Daarom beveelt de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken vanaf 1 januari 2009, benoemt een onderzoeker en legt de kosten van het onderzoek bij de vennootschappen. Tevens wordt de zieke bestuurder geschorst en wordt een tijdelijke bestuurder benoemd met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid. De procedurekosten worden hoofdelijk aan de vennootschappen opgelegd.