ECLI:NL:GHAMS:2023:3612
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.M. Koolen – Zwijnenburg
- R.M. Steinhaus
- M. Lolkema
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet doen van aangifte van liquide middelen bij vertrek uit de EU
De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met de tenlastelegging dat hij op 4 maart 2020 te Schiphol opzettelijk geen aangifte had gedaan van het vervoeren van liquide middelen van €10.640 bij vertrek uit de Europese Gemeenschap, terwijl hij verplicht was dit te doen volgens EU-verordening 1889/2005.
De verdediging voerde aan dat het geldbedrag gezamenlijk met zijn vrouw werd vervoerd en dat zij samen de grens van €20.000 niet overschreden, waardoor geen aangifteplicht zou bestaan. Het hof oordeelde echter dat de aangiftegrens per persoon geldt en dat de €5.000 in de tas van de vrouw niet aan verdachte toe te rekenen was. Het hof sprak verdachte vrij voor dat bedrag, maar achtte bewezen dat hij opzettelijk geen aangifte deed van de overige €10.640.
Hoewel het bewezenverklaarde strafbaar is, achtte het hof, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het feit is begaan en in lijn met de vordering van de advocaat-generaal en de raadsvrouw, het passend om geen straf of maatregel op te leggen. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht door verdachte schuldig te verklaren zonder strafoplegging.
Uitkomst: Verdachte schuldig verklaard voor het niet doen van aangifte van €10.640, maar geen straf of maatregel opgelegd.