Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 21 december 2023 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 augustus 2022 vernietigd met betrekking tot de ontnemingsvordering tegen de betrokkene. De rechtbank had de betrokkene vrijgesproken en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering, maar het hof komt tot een andere beoordeling.
De betrokkene is veroordeeld voor mensenhandel gepleegd in de periode van 30 december 2017 tot en met 1 november 2019. Het hof baseert de ontnemingsvordering op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en stelt vast dat de betrokkene voordeel heeft verkregen uit de gedwongen prostitutiewerkzaamheden van het slachtoffer. Het hof neemt een periode van 96 weken in aanmerking voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op basis van verklaringen van het slachtoffer en het rapport van de verbalisant stelt het hof het bruto voordeel op €19.200, waarvan na aftrek van kosten voor condooms en lingerie (€9.600) een netto bedrag van €9.600 resteert. Het hof legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat. De redelijke termijn is niet overschreden en de duur van de gijzeling wordt vastgesteld op maximaal 192 dagen.