Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep
3.Tenlasteleggingen
feit 1 primairhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 24 maart 2012 te Amsterdam, althans in Nederland,
primairhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 januari 2012 tot en met 24 augustus 2012, te Doetinchem en/of te Amsterdam, althans in Nederland,
4.Vonnissen waarvan beroep
5.Juridisch kader
Gedragingen en dwangmiddelen
Gedraging
nietdat de wetgever aan sub 6º (behoudens uitbreiding tot andere vormen van uitbuiting dan seksuele uitbuiting) een ruimer toepassingsbereik heeft willen geven dan onder het regime van artikel 250a (oud) Sr, terwijl onder die regeling de aanwending van de in de wet genoemde dwangmiddelen een vereiste was.
naast de pleger van het gronddelictóók de profijttrekker de dans niet te laten ontspringen.
6.Beoordeling van het bewijs
Sr)
anders dan de rechtbankvan oordeel dat eerst dan een bewezenverklaring kan volgen indien sprake is van een onderliggend strafbaar gronddelict waaraan het voordeeltrekken kan worden gerelateerd.
sub 4º
en sub 6º,
Sr)
Ten aanzien van de tenlastegelegde misbruik van de kwetsbare positie en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht overweegt het hof als volgt. Uit het dossier blijkt dat [Nederlandse werknemer] goed op de hoogte was van de financiële situatie van de wasserij, dat hij in staat was informatie in te winnen over financiële zaken en er zijn geen aanwijzingen dat hij niet in staat was de gevolgen en risico’s van zijn handelingen in te schatten. De verklaringen van de getuigen en de conclusies van het deskundigenrapport over zijn stoornis bieden onvoldoende basis om aan te nemen dat [Nederlandse werknemer] desondanks - door zijn beperkte communicatieve capaciteiten - de werkelijke situatie zo slecht heeft kunnen inschatten dat hij geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze had dan mee te werken aan de zakelijke constructie. Hoewel er aanwijzingen bestaan dat [Nederlandse werknemer] binnen de werkrelatie onheus en onbehoorlijk is behandeld, geeft het gedrag van [Nederlandse werknemer] er bovendien blijk van dat hij een mondige werknemer kon zijn die tegenwicht bood aan zijn werkgever(s). Alles afwegende is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misbruik van een kwetsbare positie of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.
en sub 6º
, Sr)
[slachtoffer 1]hebben verklaard dat zij onderscheidenlijk sinds tien en drie dagen hebben gewerkt in Wasserij [wasserij Amsterdam] . Zij zijn tijdens het binnentreden van de autoriteiten aangetroffen in die wasserij. Hun werknemerschap kan naar het oordeel van het hof zonder meer worden vastgesteld. Gelet op de combinatie van de verklaringen en het aantreffen van deze aangevers in de wasserij, acht het hof de stelling van de verdachte dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in dienst waren van de stomerij op de etage boven de wasserij volstrekt onaannemelijk. Het hof gaat dus voorbij aan die verklaring van de verdachte.
De verklaring van de getuige [getuige 3] dat [aangever 1] tegen hem heeft gezegd dat hij een verblijfsvergunning kan regelen en daarvoor een verhaal voorhanden heeft, geeft het hof geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Daarvoor is deze informatie te weinig specifiek en zijn er teveel verklaringen en objectieve gegevens die de verklaringen van [aangever 1] ondersteunen. Het hof acht de verklaringen van [aangever 1] dan ook betrouwbaar en is van oordeel dat buiten twijfel kan worden vastgesteld dat [aangever 1] in de tenlastegelegde periode bij wasserij [wasserij Amsterdam] heeft gewerkt.
Aan [aangever 3] zijn foto’s getoond van personen die het pand van [wasserij Amsterdam] in de periode januari en februari 2012 betraden en verlieten. Hij heeft daarbij zes personen herkend, onder meer [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) en diens broer (het hof begrijpt: [betrokkene 2] , broer van [betrokkene 1] ) en wist te vertellen dat [betrokkene 1] de stomerij boven wasserij [wasserij Amsterdam] runde. Het hof ziet daarin een bevestiging van de verklaring van [aangever 3] dat hij ook bij [wasserij Amsterdam] werkzaam is geweest, nu deze personen niet bij [wasserij 6] werkzaam waren.
Deze regels zien uitsluitend op gevallen waarin slechts het verwerven en/of voorhanden hebben van onmiddellijk door eigen misdrijf verkregen voorwerpen is bewezenverklaard en hebben in beginsel geen betrekking op gevallen waarin sprake is van het "overdragen" en het "omzetten" van zulke voorwerpen.
en sub 6º,
Sr)
7.Bewezenverklaring
- aan bovenvermelde personen geen overuren heeft uitbetaald en
Portland(met parketnummer 13-845246-16) onder 1 is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden
vrijgesproken.
Portlandonder 2 en in de zaak
Erin(met parketnummer 13-845059-11) onder 1 primair en 2 en in de zaak
Lavely(met parketnummer 13-845011-13) primair en subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden
vrijgesproken.
8.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
gewoontewitwassen.
9.Strafbaarheid van de verdachte
10.Oplegging van straffen
Erin(zaak A onder 1 primair en 2)
en Lavely(zaak B subsidiair) bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Portlandheeft bij de geformuleerde strafeis geen rol van betekenis gespeeld.
11.1 Vordering van de benadeelde partij [Poolse werknemer 4]
12.Toepasselijke wettelijke voorschriften
13.BESLISSING
Portlandgegeven beslissingen tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde betreffende sub 1º en sub 4º ten aanzien van [Poolse werknemer 1] , [Poolse werknemer 2] , [Poolse werknemer 3] en [Poolse werknemer 4] en voor zover dit is gericht tegen de in de zaak
Eringegeven beslissingen tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde betreffende sub 4º en sub 6º ten aanzien van [illegaal persoon] .
Portlandmet parketnummer 13-845246-16 onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Portlandmet parketnummer 13-845246-16 onder 2 en in de zaak
Erinmet parketnummer 13-845059-11 onder 1 primair en 2 en in de zaak
Lavelymet parketnummer 13-845011-13 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Portlandmet parketnummer 13-845246-16 onder 2 en in de zaak
Erinmet parketnummer 13-845059-11 onder 1 primair en 2 en in de zaak
Lavelymet parketnummer 13-845011-13 primair en subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
wel / nietaanwezig.
(indien de VTE is verschenen)
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)