Klaagster diende een beklag in tegen het besluit van de officier van justitie om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagde wegens groepsbelediging op grond van artikel 137c Sr. De klacht betrof het gebruik van de term 'Bersiap' in een opiniestuk, waarbij klaagster stelde dat het gebruik van deze term een racistische lading heeft en het leed van Indische Nederlanders bagatelliseert.
Het hof heeft het beklag inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de toets uit het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2014, waarbij wordt gekeken of de uitlating op zichzelf of in de context beledigend is voor een groep mensen en of de uitlating onnodig grievend is. Het hof oordeelde dat de term 'Bersiap' wordt gebruikt om een historische periode te duiden en niet zonder meer negatieve conclusies bevat over Indonesiërs als groep.
Hoewel het hof erkent dat de uitlatingen hevige negatieve emoties oproepen bij Indische Nederlanders, leidt dit niet tot strafrechtelijke belediging. Het hof concludeert dat het gebruik van de term niet strafbaar is en dat er geen reden is voor vervolging. Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard en afgewezen.