ECLI:NL:GHAMS:2023:486
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over zorgregeling en verdeling ouderlijke zorg- en opvoedingstaken
De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam inzake de zorgregeling voor hun minderjarige kind, geboren in 2016. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar verschillen van mening over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De man verzoekt een uitbreiding van de zorgregeling, waarbij het kind de ene week van vrijdag na school tot dinsdagochtend bij hem verblijft en de andere week van maandagochtend tot woensdagochtend.
Tijdens een regiezitting bij het hof is een voorlopige regeling overeengekomen die deze zorgverdeling weerspiegelt. De vrouw verzet zich tegen de uitbreiding vanwege spanningen en een gebrek aan vertrouwen tussen de ouders, terwijl de man benadrukt dat de communicatie verbeterd is en het kind het goed heeft bij hem. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert dat het kind voldoende tijd met beide ouders moet doorbrengen, waarbij een dag meer of minder geen wezenlijk verschil maakt.
Het hof overweegt dat ondanks de aanhoudende spanningen en lopende hulpverleningstrajecten, de uitbreiding van de zorgregeling in het belang is van het kind en bijdraagt aan haar identiteitsontwikkeling. De voorlopige regeling wordt daarom definitief vastgesteld, waarbij het kind de ene week van vrijdag 14:45 uur tot dinsdagochtend bij de man verblijft en de andere week van maandagochtend tot woensdagochtend. De videobelmomenten blijven onderwerp van overleg tussen de ouders en hulpverlening.
De bestreden beschikking wordt vernietigd voor zover deze de zorgregeling betreft en het verzoek van de man wordt toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man tot uitbreiding van de zorgregeling toe en stelt een nieuwe verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast.