In deze civiele zaak vorderen [geïntimeerden] terugbetaling van GBP 175.000 met rente en vergoeding van valutaschade, omdat [appellant] het bedrag niet heeft belegd zoals afgesproken. De rechtbank veroordeelde [appellant] tot terugbetaling en het hof bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De kern van het geschil betreft de uitleg van de overeenkomst: [appellant] stelde dat het geld diende voor verwerving van 10% aandelen in een bedrijf, terwijl [geïntimeerden] meenden dat het bedrag voor belegging in een school was bestemd. Het hof oordeelt dat [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten is in zijn verplichtingen en in verzuim was, ook zonder ingebrekestelling, gelet op de omstandigheden en gedragingen.
De ontbinding van de overeenkomst door [geïntimeerden] is rechtsgeldig, waardoor [appellant] gehouden is tot terugbetaling van het volledige bedrag. De latere overdracht van aandelen in 2015 doet hieraan niet af. Valutaschade wordt eveneens toegewezen omdat de terugbetaling na ontbinding moest plaatsvinden. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd wegens onvoldoende onderbouwing.
Het hof bekrachtigt de eerdere vonnissen en veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep.