Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2023:829

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 april 2023
Publicatiedatum
4 april 2023
Zaaknummer
200.312.674/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377a lid 2 BWArt. 8 EVRMArt. 9 lid 3 Verdrag inzake de Rechten van het Kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging omgangsregeling minderjarige met niet-gezaghebbende moeder

De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin een omgangsregeling met haar minderjarige kind werd vastgesteld. De moeder verzocht om een uitbreiding van de omgangsfrequentie en afbouw van begeleiding door pleegzorg en pleegouders.

De minderjarige woont bij pleegouders en heeft sinds het beëindigen van het gezag van de moeder in 2015 een omgangsregeling met haar, die tot dan toe mondeling was overeengekomen. De rechtbank had een omgangsregeling vastgesteld van eenmaal per zes weken anderhalf uur, onder begeleiding.

In hoger beroep heeft het hof de belangen van de minderjarige centraal gesteld. Uit gesprekken en evaluaties blijkt dat het kind zich prettig voelt bij de huidige begeleide omgang en dat eerdere pogingen tot afbouw van begeleiding niet succesvol waren. De wens van het kind om de omgang niet uit te breiden en begeleid te houden is leidend.

Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de moeder af. Het hof benadrukt het belang van het volgen van het hulpverleningstraject Levvel Hecht en regelmatige evaluatie van de omgangsregeling, met oog op mogelijke toekomstige uitbreiding.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de omgangsregeling en wijst het verzoek tot uitbreiding en afbouw van begeleiding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.312.674/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/707497 / FA RK 21-5907 (BV-JP)
Beschikking van de meervoudige kamer van 4 april 2023 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.C. Sneper te Baarn,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,
gevestigd te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Het hof heeft als (overige) belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (verder te noemen: [minderjarige] ), geboren op
[in] 2011 te [plaats A] ;
- [de pleegouders] (verder gezamenlijk te noemen: de pleegouders).
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- [X] van Levvel Pleegzorg (verder te noemen: Levvel).
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie: [plaats A] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 16 maart 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 16 juni 2022 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
16 maart 2022.
2.2
De GI heeft op 8 november 2022 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft het volgende stuk ontvangen:
- een ingevuld Formulier bij Kindgesprek d.d. 19 december 2022.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 23 januari 2023 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de pleegouders;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw A. Touber.
Door de advocaat van de moeder zijn pleitaantekeningen overgelegd.
2.5
Na de mondelinge behandeling van 23 januari 2023 heeft de voorzitter op 7 februari 2023 via videoverbinding met [minderjarige] gesproken. Het verslag van dit gesprek is op 8 februari 2023 aan partijen verzonden.
Op 21 februari 2023 heeft het hof een schriftelijke reactie van de zijde van de moeder op het verslag ontvangen.

3.De feiten

3.1
[minderjarige] is een kind van de moeder.
Bij beschikking van 18 november 2015 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en is de GI met de voogdij belast.
[minderjarige] woont sinds november 2013 bij de pleegouders. Hij heeft op regelmatige basis onbegeleide omgang met zijn biologische vader.
Er was voorafgaand aan de bestreden beschikking sprake van een mondeling afgesproken omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder van éénmaal per zes weken onder begeleiding en in aanwezigheid van de pleegmoeder.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder vastgesteld van eenmaal anderhalf uur omgang in de zes weken, zo nodig onder begeleiding van Levvel Pleegzorg en/of een pleegouder, welke omgang eventueel in de toekomst onder regie van de GI kan worden uitgebreid en waarbij de begeleiding onder regie van de GI kan worden afgebouwd.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking:
I.
primairte bepalen dat er een (onbegeleide) omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] wordt vastgesteld van eens per drie weken gedurende een middag bij de moeder thuis, waar naartoe wordt gewerkt middels een concreet stappenplan inhoudende:
de eerste drie maanden:
een omgang van eens in de drie weken een middag bij de moeder thuis, waarbij de moeder met [minderjarige] omgang heeft in aanwezigheid van pleegzorg en zonder aanwezigheid van de pleegmoeder, waarbij de begeleiding van pleegzorg zal worden afgebouwd;
na deze drie maandeneen evaluatie en bij positieve uitkomst:
de volgende drie maanden:
een omgang van eens in de drie weken een gehele dag, waarbij de tijd en locatie met de GI zullen worden bepaald zonder begeleiding;
II.
subsidiairte bepalen dat er een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] wordt vastgesteld in die zin dat de moeder en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang eens in de zes weken gedurende anderhalf uur zonder de aanwezigheid van de pleegmoeder en met afbouwen van pleegzorgbegeleiding;
III.
meer subsidiaireen omgangsregeling vast te stellen die het hof juist en in het belang van [minderjarige] acht.
4.3
De GI verzoekt om de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Gelet op het bepaalde in artikel 1:377a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met zijn of haar kind, ook in een situatie dat het gezag door een voogd wordt uitgeoefend. Dat recht wordt ook gewaarborgd door artikel 8 EVRM Pro en artikel 9 lid 3 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De rechter stelt ingevolge artikel 1:377a lid 2 BW een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De standpunten
5.2
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om haar verzoeken tot uitbreiding van de omgang tussen haar en [minderjarige] en het afbouwen van de begeleiding door pleegmoeder en de pleegzorgwerker af te wijzen. De moeder verwacht dat als er langer en vaker bezoeken plaatsvinden tussen haar en [minderjarige] , de band tussen hen sterker wordt en hij haar vaker zal willen zien.
5.3
De GI meent dat de rechtbank een juiste beslissing heeft genomen. Volgens de GI staat het belang van [minderjarige] voorop en is hij duidelijk in zijn wens met betrekking tot de frequentie van de omgang en de aanwezigheid van (een van de) pleegouders en pleegzorgbegeleiding bij de omgang.
Het advies van de raad
5.4
De raad adviseert om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad meent dat het van belang is om [minderjarige] te volgen in zijn wens en acht uitbreiding van de omgang nu niet passend. De raad geeft de moeder in overweging om alsnog het hulpverleningstraject Levvel Hecht te volgen.
De beoordeling door het hof
5.5
De wens van de moeder om vaker en (op termijn) onbegeleid omgang met [minderjarige] te hebben is heel invoelbaar. Het hof is echter van oordeel dat een ruimere omgangsregeling dan die bij de bestreden beschikking is bepaald dan wel een onbegeleide omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Gebleken is dat de laatste paar omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] goed zijn verlopen, maar eerder was er regelmatig sprake van spanning rondom en tijdens de omgangsmomenten en had [minderjarige] veel last van die spanning. Vorig jaar is getracht om de begeleiding af te bouwen, maar dit is niet gelukt omdat [minderjarige] zich daar niet prettig bij voelde. In het gesprek met de voorzitter op 7 februari 2023 heeft [minderjarige] duidelijk aangegeven dat hij het fijn vindt hoe het nu gaat met betrekking tot het contact met de moeder en dat de begeleiding van een van zijn pleegouders en van pleegzorg tijdens de bezoeken maakt dat hij de moeder nu wel wil zien. Het hof is van oordeel dat de uitingen van [minderjarige] en de beleving die hij op dit moment heeft, mede gelet op zijn leeftijd en ontwikkelingsfase, gerespecteerd dienen te worden en ook leidend dienen te zijn. Er is op dit moment onvoldoende draagvlak bij [minderjarige] voor een meer frequente omgangsregeling tussen hem en de moeder dan door de rechtbank bepaald. Hetzelfde geldt voor een onbegeleide omgangsregeling. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
Met de raad acht het hof van belang dat het hulpverleningstraject Levvel Hecht alsnog wordt ingezet en daarnaast dat de omgangsmomenten regelmatig geëvalueerd worden, zodat de moeder goed op [minderjarige] kan (blijven) aansluiten en dat voor de moeder duidelijk is wat zij kan verwachten. Ook is het van belang dat de GI in de toekomst blijft kijken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van de omgang, waarbij nadrukkelijk de vraag of de aanwezigheid van één van de pleegouders en/of pleegzorgbegeleiding kan worden afgebouwd zodra dit voor [minderjarige] op een goede manier mogelijk is, meegenomen dient te worden.
5.6
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, J.F Miedema en A.E. Oderkerk, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 4 april 2023 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.