In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 januari 2022 bevestigd, waarin verdachte werd veroordeeld wegens doodslag op zijn drie maanden oude dochter.
De verdediging voerde aan dat het letsel mogelijk op een moment is toegebracht waarop verdachte niet alleen met het slachtoffer was, onderbouwd met een contra-expertise van een deskundige. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de hersenschade en symptomen vrijwel onmiddellijk optreden na het letsel en dat verdachte als enige in de nabijheid van het slachtoffer was toen het fatale letsel ontstond.
De rechtbank had vastgesteld dat verdachte als enige aanwezig was toen het slachtoffer onwel werd, en mogelijke alternatieve scenario's werden uitgesloten op basis van verklaringen van verdachte en zijn partner. Ook het subsidiaire verweer dat het feit slechts als mishandeling met de dood ten gevolge gekwalificeerd zou moeten worden, werd door het hof verworpen.
Het hof bevestigde de bewezenverklaring en strafoplegging, waarbij verdachte werd veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor doodslag op zijn dochter.