ECLI:NL:GHAMS:2023:880
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen toewijzing overlevering aan Polen
De zaak betreft het hoger beroep van een opgeëiste persoon tegen de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam die de overlevering aan Polen toewijst. De opgeëiste persoon stelde een wrakingsverzoek in vlak voor de uitspraak, dat door de wrakingskamer werd afgewezen wegens gebrek aan feiten die rechterlijke onpartijdigheid aantonen.
De raadsman betoogde dat het niet wachten met de uitspraak tot de wraking was beslist, een schending van fundamentele rechtsbeginselen inhoudt en daarmee een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigt. Het hof liet de vraag of het wrakingsverzoek tijdig was gedaan in het midden, maar oordeelde dat het verzoek geen kans van slagen had en dat de schending niet zwaar genoeg was om het appelverbod te doorbreken.
Daarmee is het hoger beroep niet ontvankelijk verklaard. Het hof benadrukte dat het wrakingsverzoek pas op de dag van de uitspraak werd ingediend en dat de opgeëiste persoon niet zodanig in zijn belangen is geschaad dat een uitzondering op het appelverbod gerechtvaardigd is.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep tegen de toewijzing van de overlevering niet-ontvankelijk wegens het appelverbod in de Overleveringswet.